Over de ‘andersheid’ van Zuid

Interview met Paul van de Laar

Wie alles wil weten over de geschiedenis van Rotterdam-Zuid, is bij Paul van de Laar aan het juiste adres. Hij is hoogleraar Urban History én directeur van Museum Rotterdam. Les één: het verschil tussen onze noord- en zuidzijde is vooral een kwestie van perceptie.

De eerste keer dat hij Rotterdam bezocht, herinnert hij zich nog goed. Hij moet een jaar of acht, negen zijn geweest. Zijn vader, vertegenwoordiger van Karperton (nu Frico), moest regelmatig voor zijn werk naar Rotterdam-Zuid. Af en toe mocht hij mee. ’s Middags, als het werk erop zat, gingen ze naar een café. Zijn vader dronk er een pilsje, hij een glaasje Chocomel. “Als jongen uit Utrecht dacht ik: dit is dus Rotterdam. Dat het café ‘op Zuid’ zat, zei me niks. Pas later leerde ik dat er een Rotterdam-Zuid bestond, en dat je de Maas moest oversteken om daar te komen.”

‘Be like Rocky’ druk ik mijn studenten vanaf college één op het hart, want al joggend of lopend leer je een stad pas echt goed kennen’

Volgens Paul van de Laar, hoogleraar Urban History aan de Erasmus Universiteit en directeur van Museum Rotterdam, is de Maas niet zozeer een fysieke scheiding, maar een mentale barrière. Het verschil tussen de noord- en zuidzijde zit vooral in de hoofden van de Rotterdammers, betoogt hij. “Ik ontken niet dat er op Zuid achterstandswijken zijn, maar die vind je overal. Ook in Rotterdam-Noord of West. Toch worden de wijken op Zuid in de regel negatiever beoordeeld.”

Hoe is dat zo gekomen?

“In de 17e, 18e eeuw en 19e eeuw gebruikte het stadsbestuur het nog ongerepte gebied ten zuiden van de Maas voor zaken die men liever niet in de stad wilde zien. Hier stonden het galgenveld en het pesthuis, dat later een werkschool werd en een fabriek. Dus van oudsher wordt dit gebied anders bekeken. Verhalen over Rotterdam-Zuid, verteld door media en geschiedenisboeken, gaan ook altijd over de ‘andersheid’ van dit gebied ten opzichte van het noorden. Ze leren ons dat Zuid het ‘andere Rotterdam’ is. Dat daar andere mensen wonen: ontwortelde plattelanders, havenarbeiders, migranten. Dat imago van Zuid zit in het DNA van de stad ingebakken.”

Maar als je kijkt naar de historische feiten, dan is de geschiedenis van Zuid toch ook echt anders dan die van de rest van Rotterdam?
“Als je kritisch kijkt naar de historische feiten, ontdek je dat iedereen daar zijn eigen draai en interpretatie aan geeft. Als historicus leer je daar alert op te zijn. Zo heb ik ooit het adresboek van de Oranjeboomstraat uit 1938 onderzocht. Ik ontdekte dat hier vooral middenstanders woonden. Het was dus een veel gemêleerdere buurt dan wij geneigd zijn te denken. Na de Tweede Wereldoorlog is de samenstelling van bewoners wel veranderd, maar de Dordtselaan of de Mijnsherenlaan bijvoorbeeld zijn vergelijkbaar met straten die in dezelfde periode in Blijdorp zijn gebouwd.”

De Kop van Zuid en Katendrecht liggen ook ten zuiden van de Maas. Zij hebben een heel ander imago.

“De Kop van Zuid is het gevolg van planmatig opwaarderen, gentrificatie zoals dat heet. De gemeente verbeterde de openbare ruimte, subsidieerde renovatie, wierf horeca en gewenste detailhandel en bouwde nieuwe appartementencomplexen. Alles met het idee om hoogopgeleide tweeverdieners naar Rotterdam-Zuid te trekken en zo het sociaaleconomisch welvaren te verbeteren. De gentrificatie van Katendrecht duurde vanwege de crisis langer. Grote projectontwikkelaars trokken zich terug. Zo kreeg de culturele voorhoede de ruimte om het gebied van onderaf te veranderen. De levendigheid die je daar nu hebt - het succes van de Fenixloodsen, Walhalla en het Deliplein - is vooral een verdienste van de culturele en creatieve sector.”

‘De wijken op Zuid worden in de regel negatiever beoordeeld’

Volgens critici leidt het economisch opwaarderen van buurten tot verdringing van mensen met lagere inkomens. Vindt u gentrificatie een vloek of een zegen voor Zuid?

“Wat was er gebeurd met de oude Entrepothaven zonder investeringen van de gemeente? Wat was er gebeurd met de Rijnhaven? Was het beter geweest om ze als een soort wasteland te laten liggen? Gentrificatie is een zegen, omdat het Zuid onder de aandacht brengt. Het heeft gezorgd voor een betere ontsluiting, een betere verbinding tussen Zuid en Noord. Ik ben erg benieuwd of de gentrificatie zich verder doorzet, en tot waar.”

Hoe ziet u de toekomst van Zuid?

“Wat mij betreft ligt die in de culturele sector. Katendrecht is een succes, omdat de creative class een grote rol heeft gespeeld in de ontwikkeling van het gebied. Mijn voorstel is dan ook dat de gemeente een chief executive curator aanstelt. Iemand die programma’s maakt, evenementen bedenkt voor en met bewoners. Want op het moment dat stadsontwikkeling uitsluitend een zaak van stadsplanologen en architecten is, gaat het mis. Dan wordt er onvoldoende rekening gehouden met de cultuurhistorie. Een stedenbouwkundig plan bedenk je niet vanachter een tekentafel. Je moet de wijk in, met mensen praten, de kwaliteiten van de wijk onderzoeken, de creativiteit van bewoners ontdekken.

Ik beschouw het als mijn missie om Rotterdammers met een open, onbevangen blik naar hun stad te laten kijken. Zoals Rocky in de gelijknamige film van Sylvester Stallone. Daarin zit een scene waarin je hem tijdens zijn dagelijkse joggingtocht door de diverse buurten van Philadelphia ziet rennen. Be like Rocky druk ik mijn studenten vanaf college één op het hart, want al joggend of lopend leer je een stad pas echt goed kennen.”

Paul van de Laar (1959, Amsterdam) studeerde geschiedenis aan de Erasmus Universiteit Rotterdam en promoveerde in 1991 op een studie naar het Rotterdamse bedrijfsleven. Sinds 1997 is hij bijzonder hoogleraar stadsgeschiedenis van Rotterdam aan de EUR. Van 2001 tot 2012 werkte hij als hoofd collecties bij Museum Rotterdam, waarvan hij sinds 2013 algemeen directeur is.