Rotterdammers maken Rotterdam

Tommy

Else Marijn Kruijswijk Tekst
Nina Fernande Beeld

In mijn verhaal ‘A.L. Snijders schrijft beter’ som ik mijn literaire helden op. Uiteraard een praktische ordening van het soort Sterk Vereenvoudigde Weergave van de Werkelijkheid. Toch sloeg ik mijzelf voor de kop. Want hoe kon ik Tommy vergeten?

‘Tommy!’ ‘

‘Tommy!’ roept ze terug.

De andere klanten in de bakkerij kijken verrast van mij naar haar. Het is druk in de winkel, het is zaterdag. Ik kan niet wáchten tot ik haar kan helpen, maar er zijn nog zeker vijf klanten voor haar.

Ze ziet het. Ze leest mijn gezicht. Rustig blijft ze wachten en als mijn collega haar wil helpen, slaat ze haar beurt over. Ze wacht op mij. Ze heeft iets te zeggen. Haastig maak ik mijn werk af. Geef geen bonnetje, geen tas, slechts wisselgeld dat ik niet uittel maar vlug in een hand druk.

‘Tommy! Wat goed dat je er weer bent. Hoe is het?’

‘Goed, goed.’ zegt ze snel.

In eerste instantie zijn bakkerijpraatjes oppervlakkig. Een antwoord dat de waarheid niet weerspiegelt is geoorloofd. Maar Tommy wil gauw op een ander onderwerp van iets minder oppervlakkige aard overstappen, heb ik het idee.

Op een zaterdag in een voorgaand voorjaar kwam ze sprankelend de winkel binnenlopen. ‘Zo,’ zuchtte ze. ‘Net terug van de bieb. Genoeg leesvoer voor de komende maand.’ Op de toonbank legde ze een tas neer. Door het plastic schemerden de titels van de boeken die er in zaten. Mijn nieuwsgierigheid werd gewekt.

‘Welke boeken ga je lezen?’

‘Alle boeken van Tommy Wieringa. Ik heb Joe Speedboot gelezen, en nu moeten ze allemaal. Ken je het?’

Mijn glimlach kon niet breder zijn.

We spraken uitvoerig over de schrijver en zijn boeken. We bleken beiden verslaafd aan de herkenbare, maar toch ook wonderlijke, verhalen van Wieringa. De natuur had er meestal een belangrijke rol in, en dat sprak ons aan. De andere klanten moesten maar even wachten. Ter plekke ontstond een vriendschap. Van grotere waarde dan een paar euro’s in de kassa.

Een maand later was ze er eindelijk weer. Dit keer was het rustig. Met een wijzende vinger liep ze op me af. ‘Eh…wat was het ook alweer? O ja! Tommy!’ Onze verbintenis had zich toch nog goed in haar zestigjarige geheugen genesteld. ‘Tommy!’ riep ik terug. Vanaf dat moment zijn we elkaar Tommy blijven noemen.

Onze vriendschap continueerde buiten de bakkerij. We spraken af, en dronken thee in haar huis dat niet alleen door haar maar ook door haar werk bewoond werd. Tekeningen en schilderijen in aardse tinten, grote schelpen, door water verweerde stukken hout, en andere natuurlijke esthetiek. Op één van de tafels lag een experimenteel werkje dat een hogere faal- dan slagingskans had: Ik voelde me er meteen thuis.

En nu staat mijn Tommy weer in de winkel. Met twinkelende ogen en een prangende vraag.

‘Lust jij ananas?’

Deze vraag had ik niet verwacht. ‘Ja die lust ik.’ ‘Ik was op de markt,’ vervolgt ze, ‘en heb er drie gekocht, maar dat is te veel voor mij alleen.’ Ze tovert een ananas te voorschijn. ‘Deze is dan voor jou, Else Marijn.’ [Want onze echte namen waren we ook te weten gekomen tijdens onze maandelijkse ontmoetingen.] In omgekeerde richting gaat er deze keer geen brood maar een ananas over de toonbank. En vervolgens een kus weer de andere kant op. ‘Dankjewel, Moniek. Je bent een schat.’ Ik houd de ananas als een trofee in de lucht.

‘Je bent de held van de dag!’ roep ik door de bakkerij.

Ze koopt een brood en verlaat de winkel.

‘Dag Tommy!’

‘Dag Tommy!’

Het dagelijks leven verschaft het bewijs dat ik niet in een stripverhaal hoef te leven om voortdurend helden te ontmoeten. Literaire helden, artistieke helden, helden die ananassen delen.

P.S. Mijn overdreven theatrale reactie op een ananas had onbewust diepe wortels. Moniek, alias Tommy, deed mij denken aan één van mijn jeugdhelden, die geen ananassen maar vijf broden en twee vissen deelde.