Rotterdammers maken Rotterdam

‘Mot je een kaakie bij je bakkie?’

Barbara Hoogsteden Tekst
Annemarie Kleywegt Beeld

Dat mensen de ‘je’ vervangen door de ‘ie’ is niet zo bijzonder. Denk aan grappie en tassie. Maar het Rotterdams zou geen Rotterdams zijn, als wij daar niet onze eigen draai aan geven. Rotterdammers zeggen niet zomaar overal ‘ie’. Volgens professor en taalkundige Marc van Oostendorp zit daar een heel systeem achter. Hebbie effe?

In verkleinwoorden is het gebruikelijk om ‘ie’ te zeggen. Dat gebeurt in heel Nederland. In Rotterdam zijn we er wel erg fan van. ‘Mot je een kaakie bij je bakkie?’ klinkt best logisch, maar Rotterdammers passen deze afwisseling ook toe bij het gebruik van werkwoorden. Zoals: ‘Wa zeggie? Assie val dan leggie’. Een bekende zin én titel van het Rotterdamse dialectboek van schrijver Jan Oudenaarden. ‘Zeg je’ en ‘lig je’, zijn beide ingekort en samengesmolten tot één woord eindigend op de ‘ie’. Hetzelfde is het geval met ‘loopie’ (loop je) en ‘maggie’ (mag je).

Haattie

En toch, legt Van Oostendorp uit, is dat niet het geval met alle werkwoorden in de jij-vorm. “Na een klinker wordt de ‘je’ niet afgewisseld met een ‘ie’. ‘Zie je’ wordt bijvoorbeeld nooit ‘zieie’. Ook na de t komt geen ‘ie’. Niemand in Rotterdam heeft het over een ‘kattie’. Niemand zegt ‘haattie’ in plaats van ‘haat je’. ‘Haattie’ bestaat wel, maar dan betekent het ‘haat hij’. De Rotterdammer kiest dus heel bewust de woorden uit die op ‘ie’ eindigen.”

‘Tebbie nou in je muil? Tebbie legge kotse op ‘t hoogpolig?’ 

Hoe dit taalgebruik is ontstaan, is volgens Van Oostendorp moeilijk te verklaren. “Zoiets sluipt er gewoon in. Ieder kind pakt klanken eindigend op de ‘ie’ makkelijk op en geeft het vervolgens weer door.” Of kan het misschien zijn dat de hardwerkende Rotterdammer haast heeft en daardoor woorden samenvoegt om sneller klaar te zijn met praten? Volgens de Rotterdamse cabaretier Richard Groenendijk is dat de reden dat veel hondjes in de Maasstad Tebbie heten. Zoals de inmiddels overleden poedel van zijn buurvrouw. Als het beestje tot de orde moest worden geroepen, had de buurvrouw niet veel tekst nodig: “Tebbie nou in je muil? Tebbie legge kotse op ’t hoogpolig?”

Kort, bondig en functioneel. Maar bovenal klinkt ‘een kaakie bij je bakkie’ een stuk gezelliger dan ‘een kaakje bij je kopje koffie’.

Prof. dr. Marc van Oostendorp is gespecialiseerd in taalverandering en -verloedering. In 2002 verscheen van hem het boek Taal in stad en land: Rotterdams. Van Oostendorp is hoogleraar Fonologische Microvariatie aan de Universiteit Leiden en senior onderzoeker bij het Meertens Instituut. Hij heeft tientallen boeken, artikelen en publicaties op zijn naam staan en verzorgt rubrieken op radio en in (vak-)bladen.