Bang? Je hielp elkaar gewoon!

Ans Ultee-Stoopman en Fleur Ultee

In de keuken ratelt een espressoapparaatje. Door de ramen schijnt een waterig zonnetje haar eerste warme voorbodes van de lente de woonkamer in. Op een bruine zachtleren bank zitten twee dames. Fleur veegt een blonde lok uit haar gezicht en werpt een tedere blik op de vrouw naast haar. Ans zit een pietsie onderuit geleund, gestut door een tijgerprintkussen. Haar vorsende blik speurt door het huis. Dan pakt Ans de onderarm van Fleur voorzichtig vast, zoekt contact zonder te kijken, bevestigt in dat kleine gebaar van haar broze hand het gevoel dat ze dichtbij haar kleindochter is. De tachtig jaren verschil tussen beide dames verwatert met die ene geste.

Ans, voluit Anna Margarethe Ultee-Stoopman, werd geboren vlak na de Slag om Cambrai. Ja, dat is vóór het einde van de Eerste Wereldoorlog. Na twee weken strijd in de velden rond het Oost-Franse plaatsje Cambrai staakten de Engelsen en Duitsers op 4 december 1917 de strijd en waren ze beide vele duizenden doden verder en geen centimeter opgeschoten in de uitzichtloosheid van die Eerste Wereldoorlog.

Negen dagen later, op 13 december, zag Ans het levenslicht aan de Oppert, in hartje Rotterdam. Het lijkt zinloos om een slag in Oost-Frankrijk aan te halen, want Ans was er nog nooit van haar leven en ze kan zich, uiteraard, al helemaal niets herinneren van die oorlog. Maar het tekent haar leeftijd, haar leven. In dat leven is er meer veranderd dan wij ons ooit kunnen indenken. En in dat leven heeft Ans dingen gedaan en gezien die wij ons in de weelderige luxe van onze eigen leventjes zonder oorlog in de directe nabijheid niet kunnen voorstellen.

Het verhaal van die Tweede Wereldoorlog moet verteld worden, moet levend gehouden worden. Juist ook in de familie, want zo’n oorlog tekent niet alleen de levens van de mensen die het meemaakten; het is onderdeel van de identiteit van de familie.

‘De mensen waren gespannen, er werd gehamsterd. En elke woensdag marcheerden de mariniers bij ons door de Oppert’

Fleur is 22, studeert International Business Management aan de Hogeschool Rotterdam, en kan zich niet anders herinneren dan haar oma op woensdagavonden aan de warme prak bij haar ouders. Altijd een verhaal over de oorlog paraat. “Op die avonden werd er ook altijd veel gelachen”, vertelt ze als ze haar hand voorzichtig op die van haar oma legt. “Je hoort vaak dat in families niet gepraat wordt over de oorlog. En mijn andere oma heeft ook nooit iets willen vertellen. Maar oma Ans heeft ons altijd de meest spannende verhalen verteld.”

En al volgen die verhalen nu misschien niet altijd meer de chronologie der gebeurtenissen, Ans vertelt ze nog altijd levendig, vol vuur en met een overrompelende nonchalance. Ook nu, als de koffie wordt uitgeserveerd en kleine twinkellichtjes in haar ogen aanschieten.

HET BOMBARDEMENT

Aan het begin van 1940 woont Ans nog bij haar ouders thuis. “Ik kon mijn man al wel, maar we waren nog niet getrouwd. Hij mocht niet eens binnenkomen. Als we elkaar wilden zien, moest hij op de hoek van de staat wachten tot ik kwam.” Kom daar nu nog maar eens aan, spreken haar ogen als ze haar kleindochter schalks aankijkt.

Het was de tijd van de mobilisatie, sowieso een lastige periode om lekker rustig te daten. “De mensen waren gespannen, er werd gehamsterd. En elke woensdag marcheerden de mariniers bij ons door de Oppert, op weg van de kazerne aan het Oostplein naar Den Haag waar ze gingen oefenen.” Want ja, Nederland had wel geroepen neutraal te willen blijven, maar het land voorvoelde dat de Duitsers daar weleens weinig boodschap aan konden hebben. De strijdkrachten waren op oorlogssterkte gebracht en ook broer Jan zat in het leger.

‘Kijk om je heen en probeer te zien wat anderen nodig hebben’

Ans: “Hij was motorordonnans bij het tiende regiment artillerie.” Zonder dat de familie het weet, wordt het regiment verplaatst van Woerden naar het Kralingse Bos. Bij de Duitse inval moet Jan langs alle strijdkrachten rond de stad om te melden dat de radioverbindingen uitgevallen zijn. Hij wipt nog even snel bij zijn ouders langs.

“Mijn moeder zei: ‘Ik bak gauw een ei voor je’, maar daar was geen tijd voor. Het luchtalarm ging. Jan moest verder. Hij heeft niet eens kunnen vertellen dat hij in Rotterdam zat. Hij sprong op zijn motor en we hebben hem nooit meer gezien.”

Pas dagen na het bombardement hoorden ze dat Jan in de Paradijslaan neergeschoten was. “Vanuit een brievenbus werd hij van zijn motor geschoten”, stelt Fleur. “We hebben nooit uitgevonden wat er precies gebeurd is, maar het is een vreemd voorval. Hij is op 11 mei gesneuveld; de Duitsers zaten toen helemaal niet in dat deel van de stad. Waarschijnlijk is hij door een NSB’er neergeschoten.”

In de eerste chaotische dagen van de oorlog leert het gezin leven met de dagelijkse realiteit van het luchtalarm. Ook op 14 mei gaat dat af. Ans: “Vader stuurde ons de gang op, die ons huis verbond met de bakkerswinkel die we hadden. Ik zag de klok in de winkel: 13.10 uur. In de gang zou het wel veilig zijn, zei mijn vader. Wat wisten wij nou helemaal? We dachten dat ze het op de spoorbaan voorzien hadden.”

‘Vanuit een brievenbus werd hij van zijn motor geschoten’

Als de hel losbreekt, is al snel duidelijk dat het gangetje niet veel bescherming gaat bieden en met het gezin vlucht Ans de straat op. Fleur knijpt in de hand van haar oma: “U vertelde altijd dat u de wind in de rug had?” Ans kijkt haar indringend aan. Het lijkt alsof het moment zich als een film voor haar ogen afspeelt: “We gingen de Goudsesingel op, richting Gerritje de Koker, een begijnhofje. Maar die singel stond vol bomen!” Het is dan ook niet zozeer de bommenregen, als wel de brand die voor altijd in het geheugen van Ans gegrift staat. “Het vuur zoog de wind aan. Het gierde door de straten en de vonken zetten de ene na de andere boom in brand. We moesten echt hard lopen want alles stond in de fik en het vuur kwam steeds dichterbij.”

Achteraf bleek dat ze de verkeerde kant op liepen; waren ze tegen de wind in gelopen, dan hadden ze de brandende binnenstad zo achter zich gelaten. Nu liepen ze met de oprukkende brand in de rug en moesten ze tot aan de Honingerdijk lopen voor ze de verzengende vuurzee definitief achter zich lieten.

Ze kregen onderdak bij een kaartvriend van Ans’ vader. De dag erop ging haar vader op inspectie. Hij keerde verslagen terug en meldde dat alles weg is. Het huis. De straten. De binnenstad. De wrange misvatting van dat eerste moment van het bombardement werd meteen duidelijk. Ans: “Het spoor was het enige dat nog overeind stond. De Duitsers hadden juist op de woningen gemikt; ze hadden zelf de spoorbaan nodig.”

DE OORLOG

Fleur zoekt oogcontact met haar oma en vraagt: “Toen u bij die vrienden was, kreeg u toch kleren en nieuwe sokken?” Ans knikt: “Het Rode Kruis deelde dat uit, maar het stonk allemaal naar rook. Ach ja, we waren er toch blij mee want we hadden na het bombardement niets meer. Weet je”, zucht Ans als ze meewarig haar kleindochter aankijkt: “Je past je aan. Dat is oorlog. Je past je aan en zorgt voor elkaar.”

Het blijft sappelen voor het gezin na het verlies van hun huis. Die vriend van Ans’ vader biedt het huis aan waar zijn zoon zou intrekken. Ans: “Die zoon zou gaan trouwen en dan verhuizen, maar dat ging door het bombardement niet door. Want er was geen geld meer voor de trouwerij of een feest. Dus ze zeiden: trekken jullie er voorlopig maar in.” Als Ans’ vader emplooi vindt bij de gemeente, hij wordt er controleur bij de verdeling van bloem, en Ans ook werk krijgt, kunnen ze op zoek naar een eigen huis. Ze vinden het op het Ungerplein, vlak achter het Sint Franciscus Gasthuis in Noord. Ans ziet het bord op het huis hangen en snelt meteen naar haar ouders: “Een paar dagen later woonden we er al.” En die verhuizing verandert het leven van Ans radicaal. In het ziekenhuis, namelijk, is het verzet actief en al snel raken Ans en haar vriend Johannes hierbij betrokken.

“Tja, dat deed je gewoon”, zegt ze met een wegwerpgebaar alsof het allemaal de normaalste zaak van de wereld is. Maar de ogen van Fleur lichten op; dit zijn de mooiste verhalen die oma deelde aan de eettafel. Dat ziekenhuis was een ideale plek voor het verzet, vertelt Ans: “Daar dorsten de Duitsers niet naar binnen; bang voor besmettelijke ziektes. Nadat we getrouwd waren, op Dolle Dinsdag, heb ik met die ziektes mijn man nog een keer gered: bij een razzia kwamen soldaten binnenstormen om mijn man op te pakken. Ik had hem in bed gestopt en zei dat hij TBC had. Nou, die Duitsers vlogen weer naar buiten!

Grappig trouwens: majoor Elshof woonde toen ook bij ons in huis. In het verzet was hij commandant van de binnenlandse strijdkrachten. Ik stopte Elshof onder de vloer als de Duitsers kwamen en dan ging ik breiend in mijn stoel op het luik zitten. Mijn zwager Peet Booms is zelfs nog een keertje in de kinderbox gaan zitten en deed alsof hij het syndroom van Down had. Nou, toen hebben ze hem ook laten zitten, want daar hadden die Duitsers niets aan in hun werkkampen.”

Fleur kijkt nog steeds een beetje verschrikt als haar oma die verhalen vertelt. “Hoe bizar?! Die Elshof was een belangrijke verzetsstrijder en hij leefde, voor de Duitsers verstopt, in een grote reclamezuil. Dat vond oma nogal sneu dus hij mocht wel bij hun in huis. Oma is hem gaan ophalen. Ze liet hem vrouwenkleren aantrekken en zo zijn ze arm-in-arm door de stad gelopen, terug naar haar huis. En de volgende dag ging ze in de kelder van het ziekenhuis weer helpen verzetskrantjes te drukken. Die verspreidde ze met een geleende kinderwagen, inclusief geleend kind, waar ze de krantjes onder verstopt had.”

Ze kijkt naar haar oma, die ook nu nog haar schouders ophaalt. “Wat nou”, glimlacht Ans. “Dat doe je toch gewoon? Ik snap niet wat daar zo bijzonder aan is. Dat is net als met de razzia’s. Dan moesten de mannen op straat stil blijven staan zodat de Duitsers ze konden inrekenen. Dan zetten we snel de voordeur en achterdeur open. Die mannen stoven de straat uit, via ons huis en de binnentuin naar de andere straten om te ontsnappen. Dat deden we allemaal. Of nou ja, er waren natuurlijk ook wel foute mensen in de oorlog, maar de meeste mensen hielpen elkaar.”

De Hongerwinter komen ze goed door. Ans bikt asfalt uit de straat om de kachel op te stoken, waarop ze suikerbieten kookt. Ook deed ze mee aan de ruilhandel die welig tierde in de stad: “Mijn man was leerlingslager. Sleepten we een levend varken ons huis in. Dat draaiden we de nek om in de keuken en verwerkten we tot vlees. Daarna hing ik een kledingstuk buiten aan de waslijn. Dat was de code dat er bij jou iets te ruilen viel.

Mijn zwager Henk deed mee, trouwens. Hij haalde melkbussen koeienbloed op het abattoir, zodat we bloedworst konden maken. Werd hij een keer met zo’n bus achterop de fiets aangereden. Toen hij opstond, zat hij van top tot teen onder het bloed. De bestuurder van de auto kreeg een rolberoerte. Die dacht dat Henk doodging!”

Ans kijkt blij de kamer rond. “Wir Fahren so nach Engeland, zongen die Duitsers in de straten. Nou ze zijn er mooi nooit aangekomen! We waren inventief in die tijd. Het was wel mooi eigenlijk. Ik heb nooit spanning gevoeld. Gevaarlijk? Daar stond je niet bij stil; je wist niet half wat je deed. Liep ik met die kinderwagen langs een Duitse patrouille. Zei ik nog netjes Gutentag ook. Je moest ze wel te vriend houden. Anders pakten ze je op. Je deed wat nodig was om te overleven.”

EEN NIEUWE STAD

Als de oorlog eenmaal achter de rug is, beginnen Ans en haar man Johannes een eigen slagerij, in navolging van zijn familie: “Mijn oudste zwager kreeg de winkel van hun ouders. Mijn man tekende in op de zaak van een ‘foute slager’. Na de oorlog hebben ze bij winkeliers die met de bezetter heulden alles kort en klein geslagen. Wie niet fout was geweest, kon daarna zo’n winkel krijgen. Je moest op het abattoir aangeven dat je geïnteresseerd was en dan legde je vijfhonderd gulden in. Als er dan een winkel beschikbaar kwam, kreeg je die toegewezen. Zo kwamen wij aan onze eerste slagerij op de Bergse Dorpsstraat. Er zat geen ruit meer in!”

Hun eerste kind, de vader van Fleur, was toen al onderweg: Ans was al zwanger toen de geallieerden voedseldroppingen over de stad uitvoerden in april ‘45. Uiteindelijk kreeg ze negen kinderen in acht jaar tijd. Ze leefden in een piepklein huis achter de slagerij. Ans: “De jongste lag in de kinderwagen, zo’n Engelse met grote wielen. Die stond midden in de woonkamer. Verder was er een keuken en we hadden één slaapkamer. Er was zo weinig ruimte dat we in twee ploegen aten; eerst de kleintjes en daarna de grotere kinderen.”

In de tussentijd werd de nieuwe stad opgebouwd en ook het normale leven moest langzaam weer op gang komen. Makkelijk was het niet. Ans en haar man werkten tachtig uur in de week. In de slagerij stond in eerste instantie vooral blikvlees. Ans: “Er was nog niet veel in die eerste jaren. Het eten was op de bon, vers vlees was er nauwelijks. Het was nog wel tot ’48 of ’49 dat het verse vlees op de bon bleef.”

Voor de kinderen was het een gouden tijd. Terwijl Ans dagelijks witte slagersjassen stond te wassen voor haar man en hun personeel, en haar man zich drie slagen in de rondte werkte in de winkel, was het kleine grut altijd buiten. Zij zagen de nieuwe stad verrijzen en speelden op de bouwplaatsen van de huizenblokken die uit de grond gestampt werden om de uitdijende bevolking van Rotterdam goed te kunnen huisvesten.

‘Dit zijn de mooiste verhalen die oma deelde aan de eettafel’

Ans was de grote regelneef. Haar man was goed voor het personeel, maar was wat minder bedeeld als het op organisatorisch talent aankwam. Dat had Ans in ruime mate. Zij hield op de achtergrond de boel draaiende. Roosters maken, bij ziekte contact houden met het personeel, voorraden bijhouden. Ook onderhield zij alle contact met de leerlingen van de huishoudschool die als stage het huishouden deden en op de kinderen pasten. En in de tussentijd was ze ook nog zo goochem om meneer pastoor te vertellen dat ze het wel genoeg vond, als hij langskwam om eens te informeren naar de verdere gezinsplanning. “Na negen kinderen vond ik dat we wel aanmoedigingen genoeg hadden gehad.”

DE HERINNERING LEVEND HOUDEN

Langzaam maar zeker wordt Ans moe. Na bijna twee uur herinneringen ophalen, gaat ze anekdotes herhalen en gaan de verhalen meer en meer door elkaar lopen. Fleur schudt het kussen achter haar oma’s rug nog eens op en kijkt haar trots aan. Naast haar zit een vrouw die in bijna 103 jaar meer dan genoeg doorstaan heeft voor een mensenleven. En desondanks zit er nog altijd pit in: “Ik verbaas me erover hoe sterk ze is. Ze vertelt minder dan vroeger, maar nog altijd praat ze over haar leven, over de oorlog. En nog steeds hoor ik dingen die ze niet eerder verteld had. Voor mij zijn het flarden. Ik mis de grote lijn soms, maar het valt me altijd op hoeveel lol oma had. In de oorlog, maar ook in het leven daarna.”

Fleur schiet in de lach. “Zo kocht opa in de jaren zestig voor het eerst een auto, een Fiat 600. En daar gingen ze met zijn elven in op vakantie. Ome Dick, de jongste, voor op schoot tussen de borsten van oma ingeklemd. Vijf kinderen op de achterbank, de rest op de hoedenplank, die zo ver indeukte dat ze op het motorblok zaten.” Ans kijkt haar kleindochter vragend aan, maar dan lichten haar ogen op: “Dat Fiatje! Ik zie ons nog gaan en mensen die ons aangaapten als we voorbijreden. Om de kinderen het gevoel te geven dat we ver weg op vakantie gingen, reden we twee uur rondjes voordat we op de camping kwamen, nog geen kwartier bij ons huis vandaan.”

Samen schateren ze het uit. Fleur en Ans; tachtig jaar verschil maar in de verhalen van de familie zijn geen grenzen, geen muren. De verhalen van Ans horen tot het DNA van de familie, zo voelt Fleur dat ook echt: “Ik ben gewend deze verhalen te horen uit de eerste hand. Maar toen ik op school eenmaal geschiedenis kreeg, en de leraar over de Tweede Wereldoorlog begon, ging ik beseffen hoe bijzonder dat is. Ik werd steeds trotser op mijn oma, want ze heeft echt dappere dingen uitgespookt. Dingen die voor veel mensen echt een brug te ver waren in die tijd. De oorlog lijkt ver van ons bed, maar met alle verhalen van mijn oma kwamen onze geschiedenisboeken tot leven. Door haar besef ik hoe het in die tijd werkelijk was. Nu de generatie die de oorlog meegemaakt heeft langzaam wegvalt, is het des te belangrijker deze verhalen levend te houden.”

Nog belangrijker dan dat echter, is de les die Fleur trekt uit de verhalen: “Kijk om je heen en probeer te zien wat anderen nodig hebben. Dat gebeurde in de oorlog: mensen keken echt naar elkaar om en al hadden ze zelf niet veel, ze hielpen elkaar. Wij zijn wel heel individualistisch geworden. Waardeer elkaar en help een beetje. Dat deed oma ook altijd.”

Ans glimlacht en maakt nog maar weer eens een wegwerpgebaar. Het stelde allemaal eigenlijk niks voor. ‘Je deed het gewoon’ is het levensmotto waarmee ze zich door het leven geslagen heeft. Voor de oorlog. In de oorlog. Tijdens de wederopbouw. Ook nu nog, nu ze bijna 103 jaar oud is. Het leven overkomt je. En in de tussentijd moet je er maar een beetje om lachen. Liefst met de familie, want zo leven de verhalen voort.

Vel pasfoto’s van Ans Ultee-Stoopman uit 1943.