De twaalfde man

Feyenoord - Willem II

Tienduizenden mannen en vrouwen, altijd naar dat stadion. Van peuters tot opa’s en oma’s, in de zon of de regen, na winst of verlies. Onvoorwaardelijk voor Feyenoord. Samen vormen ze het Legioen, de loyale aanhang van die trotse club uit Zuid, ook wel bekend als de twaalfde man. “Feyenoord is zoveel meer dan negentig minuten voetbal.’’

Drie jongens van een jaar of twintig lopen over de Lijnbaan met een zak patat in hun handen. Bij de langste van het stel blijft er na een hap wat mayonaise op zijn wang achter. Hij veegt de klodder eraf, steekt tevreden zijn opgevouwen servet terug in zijn kontzak, slaat zijn arm om de schouders van zijn vriend en roept dan luidkeels: ‘Feyenooirjd!’

‘In elk postcodegebied in Nederland woont een geregistreerd Feyenoord-lid’

Het is kwart voor zes, einde van de middag. Over drie uur begint de wedstrijd pas. De bekerwedstrijd tegen Willem II is de laatste thuiswedstrijd van Feyenoord in 2015. Het oogt drukker dan normaal in het centrum van Rotterdam. Veel mensen dragen rood-witte sjaals. Ze pakken straks de tram, de fiets of de auto. Naar Zuid. Ook daar krioelen al groepjes over de Breeweg en rondom Varkenoord. De Kuip als magneet voor velen.

Maar waar zit die aantrekkingskracht van Feyenoord nou precies in? Waarom gaan die tienduizenden fans elke keer weer naar juist die voetbalclub? De broers Oscar en Sander doen een poging het uit te leggen. Ze zijn geboren in Rotterdam en als zesjarige mannetjes meegenomen naar het stadion aan de hand van hun vader. Jaren later verhuisden ze naar Dokkum, maar ze bleven naar de Kuip gaan. Op zondagochtend om half acht vertrekken ze uit Friesland. Een uur of acht ’s avonds zijn ze pas weer thuis. Een hele dag zijn ze kwijt, reizend met de trein en de bus. En dat allemaal voor zo’n anderhalf uur voetbal.

“Maar Feyenoord is zoveel meer dan negentig minuten voetbal’’, legt Sander uit. “Het is de binding die je voelt met al die mensen in het stadion. Met mensen die je vrienden zijn geworden door de liefde voor dezelfde club. De passie en de beleving die ontstaat door al die mensen in de Kuip.’’ Hij heeft zijn vriendin Stephanie besmet met ‘het virus’ en ook broer Oscar neemt altijd iemand mee. Zijn zoon kon vandaag niet, dus dochter Merel is er vandaag bij.

Ze gaan niet alleen naar vrijwel alle thuiswedstrijden, maar ook naar uitduels en Europese ontmoetingen. Deze avond beginnen ze bij Ketelbinkie op de Kop van Zuid. Iets verderop is in de Maas de as van hun vader uitgestrooid. In zekere zin staan deze twee broers symbool voor het Legioen. Want hoezeer de club Feyenoord ook verankerd is in de stad Rotterdam, de achterban houdt niet op bij de stadsgrenzen. In elk postcodegebied in Nederland woont een geregistreerd Feyenoord-lid. Allen voelen telkens weer die behoefte hun club te steunen.

Oscar en Merel

Het Feyenoord van Willem van Hanegem, Puck van Heel, ‘Beertje’ Kreijermaat, Rinus Israël, Giovanni van Bronckhorst, Pierre van Hooijdonk, Gerard Meijer, Wim Jansen, Ove Kindvall, József Kiprich en Coen Moulijn. De club die in 1970 als eerste Nederlandse ploeg de Europacup I won. De club van vele prijzen, maar nog meer teleurstellingen. De aan diggelen gevoetbalde hoop op succes door de jaren heen heeft het Legioen gebrandmerkt. “Feyenoorders weten wat lijden is”, zegt Oscar, voordat ook hij en de anderen zich mengen in de massa richting de Kuip. “Ook daar komt die saamhorigheid vandaan. Van de successen, maar juist ook van het verlies en alle tweede en derde plaatsen. Dat samen meemaken en dan toch achter die club blijven staan. We zijn trots, maar ook voorzichtig. Vanavond zou een makkelijk potje moeten worden. Maar Feyenoord kennende zal het wel weer niet zo gaan.’’

Een uur voor de wedstrijd zindert de Kuip al van opwinding. Het stadion is uitverkocht, zoals dat bij alle thuiswedstrijden dit seizoen het geval was. Nummers van Lee Towers komen voorbij, maar ook DJ Paul Elstak. Gejuich klinkt als vaste stadionspeaker Peter Houtman de elf uitverkoren Feyenoord-spelers opnoemt. Dan: de opkomst uit de spelerstunnel, de knallen op de tribune, de rood-witte vlaggen heen en weer in de lucht, het geklap en het gezang.

Hand in hand, kameraden. Leve Feyenoord één.

Er bestaat geen handleiding voor een Feyenoord-supporter. Het Legioen deint mee op het karakter van een wedstrijd, of tilt de ploeg op de schouders als het even tegenzit. Maar er wordt niet negentig minuten lang gezongen. Zoiets moet - grotendeels spontaan - ontstaan. Ook vanavond is de Kuip indrukwekkend. Oscar, met glinsterende ogen: “Ze zeggen dat de Kuip ademt bij avondwedstrijden. Door de rook en damp die boven het stadion hangen en die worden verlicht door de lichtmasten. Ja, de Kuip is ’s avonds nóg imposanter.’’

‘Als je het veld op komt, merk je al dat iedereen gek gaat’

Het is rust. Een fluitconcert is licht hoorbaar, want Feyenoord speelt slap en staat met 0-1 achter. Binnen moppert Jan Boskamp. “Niet te geloven. Vreselijk.’’ Maar waar bij veel clubs supporters cynisch worden na zo’n eerste helft en zich tegen de ploeg keren, gebeurt bij de Rotterdamse club ook vanavond weer het tegenovergestelde.

In de eerste minuten van de tweede helft pept het publiek de ploeg op. Letterlijk elk moment grijpt het Legioen aan om het elftal naar de zege te duwen. Of het nu een harde tackle, een beslissing van de scheidsrechter, een goede actie van Karim el Ahmadi of een handgebaar van Dirk Kuyt is.

Het Legioen zingt. Fluit. Tiert. Schreeuwt. Klapt. Vloekt. En Brult. Ja, de Kuip barst zowat uit zijn voegen wanneer Tonny Vilhena vlak voor tijd de gelijkmaker maakt. Overal springen mensen van hun stoel. Uitzinnig krijsend, met wilde armgebaren. En later, in de verlenging, weer, als Kuyt in de laatste minuut de winnende goal maakt uit een strafschop. Dan gebeurt er iets wat in Nederland alleen in de Kuip kan. Iedereen voelt het. Een stadion dat trilt van opwinding, meedeinend op de feestvreugde.

Stephanie en Sander

“Daar geniet je elke keer weer van’’, zegt Rick Karsdorp, na een frisse douche, in de catacomben van het stadion. Je zou de rechtsback een supporter op het veld kunnen noemen. Vanaf zijn achtste in de jeugdopleiding, altijd met vader en broer naar het stadion. “Ook vanavond heeft het Legioen ons weer gedragen. Als je het veld op komt, merk je al dat iedereen gek gaat. En niet alleen bij thuiswedstrijden. Ook uit of zelfs bij trainingen is het druk. Dat is denk ik alleen bij Feyenoord.’’

Het is laat. De Kuip stroomt leeg. Broers Sander en Oscar doen nog een drankje en gaan daarna weer naar Dokkum. Ze komen om half drie ’s nachts aan. Vierenhalfuur later gaat de eerste wekker al. Bij de eerstvolgende wedstrijd zijn ze er weer bij. Feyenoord-fan, dat ben je voor het leven.