Rotterdammers maken Rotterdam

‘Verslaafd aan de jacht en drift hier’

Pim Bijl Tekst
Marion Leeflang Beeld

Rotterdam is van oudsher een stad van nieuwkomers. Een stad van pioniers met veel verschillende nationaliteiten. Hoe ervaren zij het leven hier? Deze keer: de Belg Philippe Raets (55).

In Haacht, een Belgisch dorpje nabij Leuven met vijfduizend inwoners en twee supermarkten, een school en een brouwerij, raakte Phillipe Raets al vroeg gefascineerd door Nederland. De kinderprogramma’s uit het buurland waren spannender en minder braaf dan hij gewend was in Vlaanderen. “België was hiërarchischer, gedempter, meer timide. Nederland was vrij en is dat nog steeds. Vlaanderen is aardig bijgetrokken, maar Nederlanders – en Rotterdammers vooral – zijn harder en directer. De mensen permitteren zich meer.”

Dat karakter sprak Raets aan. Op zijn 23e verhuisde hij naar Utrecht. Na jaren in de Domstad en daarna in Den Haag te hebben gewoond, is Rotterdam nu zijn thuis. “Als je werkzaam wilt zijn in het openbaar bestuur, moet je in Rotterdam werken”, stelt hij. Sinds 2012 is hij hier gemeentesecretaris. Als algemeen directeur van de gemeente is hij verantwoordelijk voor de ambtelijke organisatie. “Rotterdam is echt het laboratorium van Nederland. Hier durven we risico te nemen. Heerlijk.”

Van reus naar dwerg

Ruim twintig jaar geleden had hij een vriendin in Rotterdam. Het was het jaar dat Hotel New York openging. Als hij toen de pier op ging, was er helemaal niks. Op wat afgetrapte loodsen na, haalt hij zijn herinnering op. Hotel New York was een reus, zegt Raets. “Nu zijn we twintig jaar verder en is Hotel New York een dwerg. Op sommige foto’s moet je er goed naar zoeken door al die skyscrapers. Dat is Rotterdam. Er is geen stad waar zoveel beweging en bouw in zit.”

Revolutionair

Hij woonde twintig jaar in Utrecht, maar zegt – met enige overdrijving – dat hij altijd het gevoel had dat die stad klaar was. “Terwijl Rotterdam constant en in een onevenaarbaar tempo in verandering is. De stad is beloond door dingen revolutionair te doen. Rotterdam begint te kloppen, er is applaus, maar we blijven hongerig. Als ik op Zuid om mij heen kijk, zie ik de potentie en de beloftevolle initiatieven. Ik zie echter ook delen waar de leefkwaliteit omhoog moet. Hillesluis, Bloemhof en IJsselmonde zien er over twintig jaar zeker ook net zo anders uit als de pier bij Hotel New York in mijn herinnering. Dat weet ik zeker.”

De gemeentesecretaris verhaalt met een nog altijd onmiskenbaar Vlaamse tongval. Toch kan Raets zich niet voorstellen ooit terug te keren naar zijn geboortedorp of het platteland. Hij is een stadsmens geworden. “Ik ben verslaafd geraakt aan de dynamiek, de drukte, die jacht en drift die in een stad als Rotterdam zit.’’