Dagboek van een directeur

Interview Arjen Littooij

Op nota bene vrijdag de 13e maart ging voor het eerst in negen jaar de werkwijze van de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond naar een van de hoogste niveaus: GRIP-4. Veel mensen lieten hun gewone werk vallen en stapten direct over naar wat de nieuwe situatie van hen vroeg. Er heerste geen paniek, wel was duidelijk dat er nu een nieuwe werkwerkelijkheid was begonnen.

GRIP staat voor Gecoördineerde Regionale Incidentbestrijdingsprocedure en bepaalt hoe de coördinatie tussen hulpverleningsdiensten verloopt. En hoe groter de ramp of crisis, hoe meer onderling gecoördineerd gehandeld moet worden. Overlegstructuren die voornamelijk op papier bestonden, vonden nu fysiek plaats. Speciaal hiervoor gebouwde vergaderzalen en werkruimtes werden bemand door teams. Zag algemeen directeur van de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond (VRR) Arjen Littooij de burgemeester (die voorzitter van de veiligheidsregio is) normaal gesproken bij een enkele vergadering of een enkel overleg: nu zaten ze dagelijks om tafel en was er soms meerdere keren per dag contact.

Ondanks de GRIP-4 moesten ook de medewerkers van de VRR zoveel mogelijk thuis werken. Zelfs de meldkamer kon deels vanuit huis bemand worden. Dit gold uiteraard niet voor mensen in de hulpverlening en de crisisstaven: je kunt vanuit huis nou eenmaal geen brand blussen, een ambulance besturen, mensen redden of zorglocaties opzetten.

Littooij: “Ik kan natuurlijk niet alle 2.300 medewerkers langsgaan, maar dat had ik het liefst wel gedaan. Het was me al snel duidelijk dat dit een crisis zou worden die wel even zou duren. Daar hadden we natuurlijk al voorbeelden van uit het buitenland. Ik besloot elke week de collega’s een brief te sturen. Een brief die ook gericht zou zijn aan hun familie. Ik heb dat negen weken gedaan en kon zo iedereen een hart onder de riem steken.

Ons motto is dat we er 24 uur per dag, zeven dagen per week en 365 dagen per jaar voor anderen zijn. Ook in periodes van grote ongerustheid en grote onzekerheid. Juist nu leek het me belangrijk om te zeggen dat ik ongelooflijk veel respect en waardering voor mijn mensen heb.”

Eerste gevoel

“Mijn eerste gevoel was er een van ‘zorgen voor’. Ik begreep dat we elkaar minder zouden zien of enkel in moeilijke, barre omstandigheden. En dan is er maar weinig tijd om elkaar even aan te kijken of elkaar even een hart onder de riem te steken. Je kunt jezelf natuurlijk niet als WC-eend aanprijzen, maar ik was blij dat de video #heldenmoed, waar we aan meewerkten, zo massaal werd gedeeld. Een directe en vooral ook diepe buiging naar al die harde werkers en hulpverleners.

We zijn als Veiligheidsregio wel calamiteiten gewend, maar hadden er niet eerder eentje van deze omvang. Het is een bijzondere ramp, een ramp ook in slow-motion waarvan de omvang iedere dag een beetje meer zichtbaar werd. Dat besef drong de tweede week echt door. Ook dat de bestrijding van het coronavirus een marathon zou worden. Grote evenementen werden afgelast: de marathon van Rotterdam en later ook het Songfestival. Dat waren soms moeilijke besluiten.”

Wie wacht, is te laat

“Ik stond in die eerste weken bijna dagelijks voor dit soort lastige besluiten. Met 30 procent informatie, moet je 100 procent beslissingen nemen. Want wie wacht, is te laat. Ik heb bijvoorbeeld op een maandag binnen een kwartier besloten 30.000 mondkapjes te kopen. Dinsdagochtend werden die allemaal al verspreid over onze locaties. Ik nam iedere dag besluiten over de inzet van mensen en middelen zonder dat ik wist of het financieel gedekt was.

Het moest, ik kreeg de steun van het bestuur. Soms moet je ook besluiten nemen om de continuïteit van de organisatie na de crisis veilig te stellen. Of te regelen dat mensen ook rust nemen. Soms is er dan onbegrip of leggen we het niet goed uit, maar ik hoop dan maar op begrip van mijn mensen als ik in hun ogen een verkeerd besluit neem.”

‘We zijn als Veiligheidsregio wel calamiteiten gewend, maar hadden er niet eerder eentje van deze omvang’

Resultaat van een besluit

“Deze crisis raakt ons allemaal. Ik zat bij het ministerberaad aan tafel toen het besluit werd genomen dat de mensen hun naasten in een verzorgingshuis niet meer mochten bezoeken. Het was een goed en verstandig besluit, maar ik besefte tegelijk dat dit ook betekende dat ik mijn vader niet meer kon bezoeken. Mijn vader is 93. Hij woont in een verzorgingshuis. Misschien zou ik hem niet meer levend terugzien. Dat was een hard en pijnlijk besef.”

Overvolle intensive care

“En toen ging het hard. De intensive cares in Nederland stroomden rap vol. Er was een grote toename van de vraag naar ic-bedden. En naar plekken om huisartsenposten te ontlasten, zodat iedereen in Nederland de zorg kan blijven ontvangen die hij of zij nodig heeft. Corona vulde vanaf dat moment mijn hele leven. Ik stond ermee op en ging ermee naar bed. Ik startte mijn dagen met een rondje langs de afdelingen. Steeds vaker werd dat een virtueel rondje, maar het is essentieel voor mij om te weten wat er leeft.

Vervolgens schoof ik aan bij overleggen van ministeries, sprak directeuren van andere Veiligheidsregio’s, overlegde binnen het Regionaal Operationeel Team en sloot aan bij het beleidsteam. Het beleidsteam wordt geleid door burgemeester en voorzitter Ahmed Aboutaleb met aan tafel de directeuren van de verschillende hulpdiensten en gemeenten en de directeur Publieke Gezondheid, Saskia Baas.”

Ik weet hoe het voelt

“Het nieuws raakt me momenteel extra, merk ik. Al die mensen op de intensive care. Het is nu bijna drie en een half jaar geleden dat ik daar zelf lag, aan de beademing. Twee weken lang heeft dat apparaat mijn ademhaling overgenomen. En hebben zorgverleners mijn leven gered. Ik had, als chronisch astmapatiënt, een hevige griep en moest opgenomen worden. Dat maakt me extra dankbaar dat ik mijn dagelijkse werk überhaupt kan doen en dan ook nog eens voor mensen die op de intensive care liggen. Of daar hopelijk niet komen te liggen, omdat onze beschermingsmaatregelen werken.”

Op z’n Rotterdams

“Iedereen krijgt nog steeds de zorg die nodig is. Er is en was geen selectie en dat moet zo blijven. Mede een taak voor de Veiligheidsregio om daar steeds een oplossing voor te vinden. Het Van der Valk hotel in Ridderkerk werd een zorglocatie en hotel Wings bij Rotterdam-The Hague Airport ook. Zelfs Ahoy werd omgebouwd tot zorglocatie met maximaal 688 bedden. Dat bedenken we op een vrijdag en de maandag erna rijden de eerste trucks al materiaal Ahoy in. Dan heb ik echt een glimlach van oor tot oor. Zo doen we dat hier in Rotterdam.”

Hoopvol

“Rond Pasen begon het hoopvoller te worden. Het aantal bedden op de intensive care dat bezet was, bleef lager dan we verwachtten en dat stemde ons hoopvol. Ook het aantal coronaziekmeldingen was lager dan verwacht. Het was fijn te zien dat mensen zich verenigden, omzagen naar elkaar. Dagelijks meldden zich bij de VRR mensen of partijen die iets wilden bijdragen of flinke financiële donaties deden. We hebben onder meer bloemen, taarten, bedankjes en desinfectiealcohol ontvangen. Ook zetten collega’s zich nog steeds met passie en energie in voor hun werk, ook als dat anders dan anders was.

Gek genoeg begon de bestrijding van het coronavirus te wennen. Er kwam lijn in het werken in langdurige crisis. Aan de andere kant was en is het nog steeds belangrijk hulp te vragen als het even niet lukt. Aan je collega’s, aan vrienden en familie maar ook aan de psycholoog die we in dienst hebben. Ik trok eerder de vergelijking met een marathon: daar staan ook hulptroepen langs de weg die je voorzien van water en fruit en die je aanmoedigen.”

Dilemma’s

“Half april liet de regering doorschemeren dat het loket een beetje open zou gaan. Letterlijk en figuurlijk iets meer ruimte. Ik keek ernaar uit, maar besefte ook dat het eerst kleine stapjes zouden zijn. We kunnen niet direct weer aan het werk zoals we gewend waren. Het werd nodig na te denken hoe wij daar invulling aan geven. Hoe ziet een anderhalvemetersamenleving eruit bij de brandweer, ambulancedienst, meldkamer en op onze kantoren?

Ik sta vaak voor het dilemma: waar geef ik aandacht aan? Ik besteed momenteel tachtig tot negentig uur per week aan mijn werk. Dan blijft er niet zoveel over voor andere zaken, zoals mijn gezin en familie. Die balans moet wel weer beter worden, maar het is nu even niet anders. Ik zou ook graag meer tijd aan mijn vrienden besteden. Maar die mocht ik niet eens bezoeken en het jaarlijkse vriendenweekend werd uiteraard afgelast. Daar baal ik dan ook gewoon van, want dat is in de afgelopen dertig jaar niet eerder voorgekomen.”

Wat is vitaal?

“Een nieuw begrip door deze crisis is ‘vitale functie’. Functies die vitaal zijn om de samenleving draaiende te houden tijdens de corona-uitbraak. Mensen wiens functies niet als ‘vitaal’ zijn aangemerkt, zouden onterecht kunnen denken dat ze minder belangrijk zijn. Niets is minder waar. Iedereen is nodig. Bij de bestrijding van dit virus, maar überhaupt in de samenleving.

Een samenleving waarin het leven volgens het ‘nieuwe normaal’ gaat, nog zo’n begrip dat tijdens deze crisis kwam bovendrijven. Minister-president Mark Rutte introduceerde zelf anderhalvemetersamenleving als term. Hoe dat er precies uitziet, weet niemand nog. Ik denk wel dat we met zijn allen meer hygiënemaatregelen zullen blijven nemen en voor langere tijd afstand moeten houden. Als het maar niet tot een afstandelijke samenleving leidt. Als ik nu zie hoezeer iedereen elkaars nabijheid opnieuw waardeert, komt dat vast goed.”

Zoveel vragen, zoveel dilemma’s.

“Deze pandemie roept vragen op als: waar zitten we nu? Hoe gaat het verder? Wanneer is het einde? Hoe ziet dat einde er dan uit? Het vervelende is, dat niemand dat weet. Ik ook niet, al zou ik het wel graag willen weten, zodat ik iedereen zekerheid kan bieden. Het voelt nu zo ongewis. Tegelijk is dat misschien ook wat het nu is. We kunnen niet verder dan twee weken vooruitkijken. Wat we wel kunnen: steun bieden aan elkaar. Elkaar door de vervelende momenten heen helpen en blij zijn met wat er wel is. En dan hou ik me maar aan de Wet van Bassie en Adriaan: ‘Wat er ook gebeurt, altijd blijven lachen’. Vanbinnen voelt dat soms niet zo, maar laten we koesteren wat we hebben.”