Rotterdammers maken Rotterdam

Ramptoerisme in oorlogstijd

Simone Dijkman Leeuwenkamp Tekst
Mr. A. Hustinx Beeld

Elk jaar bezoeken miljoenen vakantiegangers een rampplek: variërend van Pompeï tot concentratiekampen. Als er een ongeluk is gebeurd op de snelweg, ontstaat er op de andere baan een zogenaamde kijkfile. En vallen de Twin Towers om, dan wordt Ground Zero een bezoekerscentrum. Ligt Rotterdam in 1940 in puin, dan komen er bustours naar de rampplek. Wat bezielt ramptoeristen? En wat was er voor hen interessant in Rotterdam in 1940?

Ramptoerisme valt onder duister toerisme, of dark tourism. Een breed begrip dat te maken heeft met de plek die je bezoekt en wat je daarbij voelt: angst, verdriet of ontroering. Professor Dorina Buda, nu hoogleraar in het Engelse Nottingham deed, als universitair docent aan de Rijksuniversiteit Groningen, onderzoek naar dark tourism. Zij omschrijft de beweegredenen van ramptoeristen: “Mensen kunnen verschillende redenen hebben voor duister toerisme. Sommigen willen een beeld krijgen bij de geschiedenis die ze kennen. Het raakt ze persoonlijk, ze zijn nieuwsgierig. Bij het bezoek ontstaat er een verband tussen angst en plezier. Je komt buiten de routine van je dagelijkse emoties. Je zintuigen worden extra geprikkeld en de ervaring wordt intenser, want je zwenkt van blijdschap naar verdriet, van vreugde naar tranen.”

Beeld: Collectie Stadsarchief Rotterdam

Ergernis

Er zit wel iets van voyeurisme in, in dat ramptoerisme. De bezochte plekken zijn dan ook niet altijd blij met de toestroom van mensen en toeristen zitten hulpverleners soms best in de weg. Maar kennelijk is het van alle tijden. In de middeleeuwen was het zelfs normaal om ‘gezellig’ naar een terechtstelling op de markt te gaan. Die houding is gelukkig veranderd, maar de aantrekkingskracht van de rampplekken zelf niet. Ook in 1940 bezochten dagjesmensen Rotterdam en prees de VVV onze stad aan: ‘Welkom vreemdeling, kom naar Rotterdam!’

Vanuit verschillende steden vertrokken zelfs uitstapjes per touringcar naar het getroffen gebied. Dit tot grote ergernis en verontwaardiging van de Rotterdammers overigens. Er is een brief bewaard gebleven van een Haagse toerist die schreef over zijn uitstapje aan Rotterdam (1). Hij stapte uit bij het half vernielde station Delftsche Poort en zag een uitgestrekte, lege vlakte voor zich: ‘Vervolgens wandelt men langs puin, puin en nog eens puin. Spookachtig staat hier en daar het uitgebrande overblijfsel van een groot pakhuis of magazijn. Vrachtauto’s rijden af en aan, tot berstens toe volgeladen met puin.’

Oorlogssouvenir in je hart

Hij schrijft zelfs: ‘Een ding moet ik u dringend aanraden. Als u Rotterdam wilt gaan zien, doet het dan zo spoedig mogelijk. Steeds meer puin verdwijnt er. De kale, opgeruimde vlakten zijn natuurlijk ook een enorm indrukwekkend gezicht, maar het chaotisch neergesmeten puin maakt natuurlijk een nog veel groter indruk. (…) dus mijn raad luidt voor ieder die een daadwerkelijk oorlogssouvenir in zijn hart wil bewaren: ‘ga niet morgen naar Rotterdam als ge nog heden kunt!’

“Vanaf het voorjaar van 1941 waren er acties om de mensen naar Rotterdam te lokken met als insteek, dat er een hoop te zien was: museum Boijmans, de nieuwe Diergaarde, de Maastunnel in aanbouw en het begin van de wederopbouw.” Bij zijn werk als architect stuitte Paul Groenendijk op informatie over het Rotterdamse ramptoerisme tijdens de oorlog. Hij deed vervolgens onderzoek naar noodwinkelcomplexen in de stad voor Platform Wederopbouw. Het onderwerp intrigeerde hem direct: “Die noodwinkelcomplexen waren bijzonder, eigenlijk de eerste winkelcentra zoals we die nu kennen.” Dat blijkt ook uit een passage uit tijdschrift De Tijd van 19 augustus 1942:

Nu heeft Rotterdam inderdaad iets tentoon-stellingsachtigs. Neem b.v. Dijkzigt en Blijdorp, de twee nieuwe winkelcentra. Men zou er zich op een tentoonstelling kunnen wanen, temidden van al die lichtkleurige, dikwijls helbeschilderde gebouwen en gebouwtjes, meerendeels van één verdieping en bevlagd en bewimpeld.

Er is in Rotterdam thans het een en ander te zien, wat nergens anders te zien valt. Hier en daar denkt men aan een Amerikaansche stad, aan een olie-centrum, plotseling uit den grond opgerezen, een goudgraverskamp, op weg een wereldstad te worden.

‘Ga niet morgen naar Rotterdam als ge nog heden kunt!’

Aapjes kijken

Er is een verschil tussen wat we nu ramptoerisme noemen en de pogingen van de VVV om weer mensen naar Rotterdam te lokken, stelt Groenendijk. “In de eerste oorlogsjaren ging het leven min of meer gewoon door. De Duitsers gedroegen zich in het dagelijkse leven ook wel beleefd. Ze betaalden bijvoorbeeld gewoon in winkels. Mensen deden boodschappen en maakten gewoon nog een uitstapje. Een ijsje eten, een terrasje pakken of naar de dierentuin. Blijdorp was pas net geopend in 1940 en eigenlijk een enorm succes. In 1941 al verwelkomden ze hun miljoenste bezoeker. In de Rivierahal waren concerten en bokswedstrijden.”

“De bouw van de Maastunnel was ook bijzonder. Professor Boudewijn, een werkloze zeeman, stond bij de bouwplaats en gaf vrijwillig tekst en uitleg. Hij werd daar zo goed in, dat hij op een gegeven moment ook mensen rondleidde en foldertjes uitdeelde. Hij werd een van de eerste stadsgidsen en is dat tot na de oorlog blijven doen.”

Dan blijf je toch logeren

Groenendijk: “Tja, wat kon je verder bekijken in Rotterdam? Een kapotte Bijenkorf en de contouren van de imposante nieuwe wegen, heipalen van de nieuwe Rotterdamsche bank en de eerste werkzaamheden aan de bouw van vijfhonderd nieuwe woningen aan de Goudsesingel, het nieuwe gebouw van de GGD en het betonskelet van het Belastingkantoor. Dat red je niet in een dag. Het enige probleem volgens de VVV was dan ook het gebrek aan hotels.” Maar niet getreurd, volgens de toeristeninstantie: velen ‘zullen zich thans een familielid of een Rotterdamsche kennis herinneren, die ongetwijfeld genegen is hem voor enkele dagen als betalend logé gastvrijheid te verleenen.’

Het was de bedoeling dat er nu een tentoonstelling zou zijn in de Laurenskerk over het (ramp)toerisme in de oorlogsjaren. Die tentoonstelling heet ‘Rotterdam, een attractie?!’ Maar door de coronacrisis wordt ze een jaar verplaatst. Paul Groenendijk heeft daar ook aan meegewerkt. Ga er vooral heen volgend jaar, roept hij op: “Het laat zien dat Rotterdammers niet bij de pakken neer gingen zitten. En dat niets menselijks ons vreemd is.”

Professor Dorina Buda zegt tot slot: “Duister toerisme kan ook iets moois opleveren. Een goed voorbeeld is het Peace Memorial Museum in Hiroshima. Elk jaar komen daar zo’n 1.5 miljoen bezoekers. Het museum heeft tot doel de boodschap van vrede te verspreiden. In eerste instantie kom je wel via duister toerisme in aanraking met Hiroshima, maar in dit museum kunnen mensen hun empathie tonen en kritisch nadenken over conflicten, oorlog en vrede. Het bezoek maakt vaak een diepe indruk op mensen en die gevoelens van empathie, tolerantie en begrip dragen bij aan het opbouwen en voortzetten van vrede.” En dat is, ondanks het voyeurisme dat het ramptoerisme in zich draagt, toch eigenlijk ook wel mooi meegenomen.

Bron

1. J.L. van der Pauw, Rotterdam in de Tweede Wereldoorlog, Boom Lemma Uitgevers, 2011