Rotterdammers maken Rotterdam

Mateloos

Serga van Roon Tekst
Frank Hanswijk Beeld

Er staat geen maat op Jack Wouterse. Leven, liefhebben, eten en acteren: hij doet het met overgave. Zijn film Slaaf, over een verslaafde man, gaat binnenkort in première. De film is hem op het lijf geschreven. Want coke en drank zijn weliswaar verbannen, met eten blijft hij worstelen. “Het allerergste van verslaving is de eenzaamheid.”

Jack Wouterse woont in het Nieuwe Westen. Een vriendelijke multiculti-straat met groene voortuintjes. Het interview vindt plaats in zijn werkkamer op de derde etage. Hier legt hij de laatste hand aan Slaaf: de verfilming van de gelauwerde theatermonoloog, die hij voor het Ro Theater opvoerde. Het scenario is gebaseerd op de persoonlijke ervaringen van Wouterse en van Oscar van Woensel, die het script schreef. Van Woensel kickte succesvol af van heroïne, cocaïne en XTC, Wouterse kampte decennialang met een coke- en drankverslaving. In 2010 bezocht hij een afkickkliniek in Schotland en volgde een tijd lang vijf therapieën per week. 

‘Ik heb zo lang niet toegegeven dat ik een probleem had’ 

Waarom wilde je deze film maken?
“Om het taboe op verslaving te doorbreken. Verslavingen zijn all over the place, op een veel grotere schaal dan je denkt. Het heeft met ieders leven te maken en het kan ook iedereen overkomen. Dat is de reden waarom ik de film heb gemaakt en dat is ook de reden dat ik er openlijk over vertel. Toevallig weet ik hier iets van af.”

Je speelt de hoofdrol en het is tevens je regiedebuut. Ben je tevreden?
“Ja, tot op zekere hoogte wel. Het is een monoloog, dus het blijft een hoop geouwehoer en het speelt zich bovendien af in één ruimte. Ik heb al mijn ervaring, kunde en passie gebruikt en de film precies gemaakt zoals ik hem wilde maken. Dat vind ik belangrijker dan dat het een hit wordt. Als je vraagt: ‘Zou je er zelf naartoe gaan?’ Dan zeg ik: ‘Geef mij maar een film met een bankoverval.’ Slaaf is niet voor iedereen. Er wordt heel erg intens in gespeeld, het is zo zwart als de neten. Wat je ziet, is een bezeten, geobsedeerd iemand die op een gegeven moment helemaal de weg kwijt is. Heel af en toe kun je lachen, maar verder is het echt de hel. De hel van verslaving. Mijn advies: ga niet. Behalve als je wat van verslavingen wilt snappen.”

Je bent ervaringsdeskundige. Hoe gaat het nu?
“Heel goed eigenlijk. Ik rook niet meer, drink niet meer en gebruik geen drugs meer. Dat is allemaal voorbij. Met de aanpak van mijn laatste verslaving ben ik gisteren begonnen. Mijn diepste verslaving is eten. Dat gaat heel moeilijk. Het is niet dat ik wat te zwaar ben, ik heb morbide obesitas. Dan denk je: eten? Je bent toch verslaafd aan cocaïne of zo? Maar in wezen is deze verslaving niet anders dan die andere verslavingen.”

‘Toen ik dertig was, kon ik veel meer neuken. Nu loop ik als een oude man. Maar ik lééf weer’

In de zin dat je het heel serieus moet nemen?
“Ja. En dat het dodelijk is.”

Hoe pak je het aan?
“Je moet er serieus mee bezig zijn, het probleem op één zetten. Bij mij zijn er altijd honderdduizend redenen om niet te gaan lijnen. Als ik moe en gestrest ben en er staat allemaal eten klaar op de set, dan zeg ik: ‘Nou effe niet hoor, ik begin in januari wel.’ Of: ‘Eerst even deze serie voorstellingen afmaken.’ Het was altijd morgen, morgen, morgen. Soms ging het goed, hield ik het even vol. Maar dan kreeg ik weer stress. Hoe los je dat op? Door buitenproportioneel te eten. Dan maak je weer fouten, val je weer terug. En daar word je dan ook weer flauw en ziek van. Ik jojode mezelf helemaal suf. Ik heb zo lang niet toegegeven dat ik een probleem had. Ook met de drank en de drugs. Ach, vier drankjes, zo erg is dat niet. Maar dat was het dus wel. Je helpt je leven naar de klote. Zien hoe ver het met je is, is de eerste en moeilijkste stap. Die heb ik genomen. Nu moet ik dit echt op nummer één zetten, al het andere uitzetten.”

Ben je nu zover of ben je er nog naartoe aan het werken?
“Ik heb hier dus heel lang naartoe gewerkt. Maar het laat me nu niet meer los, ík laat het niet meer los. Ik moet hetgeen ik geleerd heb, gaan toepassen in de praktijk. In dit boekje (wijst op een schriftje op zijn bureau) schrijf ik op wat ik eet. Ik grijp nu bijtijds in, als ik merk dat ik ongelukkig word. Want ik voel het aankomen. Een slecht gevoel geeft je slechte impulsen. Het is een bepaalde onvrede die je weg moet toveren. Sporten, al dat wellness-geouwehoer, het helpt wel. Buiten dat het gezond is, is het vooral ook dat je even niet nadenkt. En als je goed voor jezelf zorgt, geeft dat een goed gevoel.”

Je andere verslavingen zijn weggevallen. Als je nu stress hebt, kun je alleen nog naar het eten grijpen.
“Je kunt ook nog gaan gokken of gaan rukken. Je hebt mensen die verslaafd zijn aan tv-kijken of aan facebooken. Je kunt van alles bedenken. Ik geloof dat zeer veel mensen die aan de coke verslaafd zijn, eigenlijk aan de seks verslaafd zijn.”

Hoe dat zo?
“Met coke houd je het langer vol. Die mannen zitten alleen maar te rukken achter de computer, op een gegeven moment word je daar ook zo impotent van als de neten. Zij zijn seksueel geobsedeerd. Maar met eten is dat precies hetzelfde. Als ik daarover praat, dan weet ik nu al wat ik wil eten. Overigens: een verslaving blijf je altijd houden. Je kunt er mee om leren gaan, maar die afwijking heb je nu eenmaal. Er zijn mensen die een drankje kunnen drinken, of één bitterbal kunnen nemen, ik kan dat echt niet. Ik ben mateloos.”

Ben je er niet klaar mee te praten over je verslaving?
“Natuurlijk heb ik dat weleens. Maar ik zit hier nu toch over te praten met jou. Dat is een keus die ik heb gemaakt. We hadden een totaal ander interview kunnen hebben. Ik had kunnen zeggen dat het heel goed gaat, dat ik alles achter me heb gelaten. Ik kan wel mooi weer gaan spelen, maar dat doet iedereen al. Het is heel belangrijk om erover te praten. Enerzijds gaat het ook heel goed hoor. Ik ben heel gelukkig, word opa, heb leuk werk, speel beter dan ooit. Ik ben er goed vanaf gekomen. Ik leef nog, daar begint het mee. En ik voel me honderdduizend keer beter. Mijn leven is veel leuker nu. Maar qua eten ben ik er nog niet. En als je zo zwaar bent, kan er van alles gebeuren.”

Je gezondheid loopt serieus gevaar door je overgewicht. Is dat niet voldoende motivatie om direct die koelkast leeg te gooien?
“Je zou het zeggen, hè? Maar dat is het rare van die ziekte, zo eenvoudig ligt dat dus niet. Maar ik ben nu wel vrij ver hoor. Ik denk dat ik er wel uit kom.”

Je hebt allerlei therapieën gevolgd.
“Wat ik mensen adviseer: ga hulp halen, je kunt het niet alleen. Het is belangrijk om met mensen te praten, die het probleem snappen. Dat verzacht de pijn. Want het allerergste van verslaving is de eenzaamheid. Het is goed om te zien dat je niet alleen bent. Een diëtist? Prima hoor, maar voor mij werkt dat niet zo. Diëtisten zijn niet verslaafd aan eten. Mijn diëtist weegt vijftig kilo. Het is haar vak om die laatste bitterbal te laten liggen. Ik weet heus wel dat er vet in patat zit, dat is mijn probleem niet. Andere dikke mensen snappen je probleem wel.”

‘Het is niet dat ik wat te zwaar ben, ik heb morbide obesitas’ 

Je voerde de monoloog Slaaf eerder al in het Ro Theater op. Was dat niet ontzettend confronterend?
“Nee, valt mee. De theatervoorstelling was om kwart voor tien afgelopen. Ik liet een zaal compleet in verwarring achter, en dan lag ik hier om tien uur ‘s avonds de Rijdende Rechter te kijken. Ik schud het na afloop meteen van me af.”

De wand achter het bureau in Wouterses werkkamer is behangen met foto’s. Op de hoge kast tegen de andere wand zijn twee Gouden Kalveren zichtbaar. Ze kunnen hem gestolen worden. “Het lijkt een beetje egotripperij, deze kamer. Maar de woonkamer wordt verbouwd, dus het kon even niet anders.”

Ben je niet trots op die kalveren?
“Die prijzen, het is echt complete onzin. Je kunt toch geen wedstrijdje filmspelen houden? Acteerprestaties zijn totaal niet objectief te meten.”

Vind je het belangrijk dat het publiek je goed vindt?
“Nee. Ik vind het leuk als mensen genieten van wat ik doe, maar ik hoef me niet meer te bewijzen. Ik vind wel dat ik altijd mijn uiterste best moet doen. Ik moet beter willen worden. Maar de zeven acteurs van het Ro Theater zijn bijna allemaal beter dan ik. Vooral technisch. Zij leven voor hun vak, doen er meer voor, kennen hun tekst beter. Ik ken de tekst op de première altijd nèt. Soms denk ik: ik ben helemaal geen serieuze acteur. Ik ben niet zo’n perfectionist. Maar ik kan me wel overal mee bemoeien, en ik erger me als mensen zich er makkelijk vanaf maken. Ik ben vooral verslaafd aan spelen. Acteren is mijn tweede manier van ademhalen.”

Waar droom je nog van op acteergebied?
“Ik wil meer kleine, onafhankelijke films maken. Maar mijn werk voor het Ro Theater is het belangrijkste. Daar ben ik helemaal vol van. Alice Zandwijk is mijn muze en goeroe. De bron. Ik zit hier omdat zij hier zit. Het Ro Theater begint nu echt goed vorm te krijgen. Steeds meer mensen zien dat het stelletje mafkezen daar toch buitengewoon getalenteerd is. Het is rauw, tegendraads en betrokken theater.”

Wanneer ben jij geslaagd als acteur?
“Geslaagd? Het is een vrij vak. Ik ben heel blij dat ik bij het Ro zit, een club die echt iets wil vertellen. Maar als ik niks te doen heb, ga ik zo in GTST spelen. Dat maakt me geen reet uit. Het is allemaal poppenkast. Je moet gewoon je brood verdienen. Ik ben iemand met een hoog aaibaarheidsgehalte, sjans soms met het publiek. Dat is mijn marktwaarde, daar maak ik soms gebruik van. Die C1000-reclame waarin ik nu speel, ik zie dat als kleine filmpjes. Mensen vinden het te gek! Op straat krijg ik allemaal complimenten, mensen worden er vrolijk van en dan denk ik: top!”

Moet je verdedigen voor die commercials dan?
“Ik verdedig me sowieso nergens voor. Maar wat ik bedoel: met die commercials bereik ik een ander soort publiek en dat vind ik leuk. In het theater komt toch vooral Kralingen, de atheneumpikkies.”

Wat heb je toch tegen Kralingen? Toen ik net bij je aankwam, op de fiets uit Kralingen, begon je er ook al over.
Quasi serieus: “Ik heb niets tegen Kralingen, maar tegen de mensen die er wonen. Ze zijn veel te blank. Het is iets minder erg dan Amsterdam-Zuid, maar men heeft wel dezelfde wereldvreemdheid. In Kralingen… daar wonen echt mensen die fout zijn na de oorlog. Dat kun je gewoon zien, die mensen deugen niet. Geldwolven allemaal. Maar begrijp me goed: ik heb het theaterpubliek zeer lief. Het is heel beschaafd. Naar het theater gaan is een vorm van beschaving. We leven in een land waar weinig gelezen wordt, niemand naar het theater gaat en iedereen een mening heeft over Zwarte Piet. Dus zo beschaafd zijn we niet.”

‘Er zijn mensen die één bitterbal nemen, ik kan dat echt niet’ 

Word je een beter mens van naar het theater gaan?
“Ja. Een rijker mens. En dus beter.”

Jouw drive, komt die voort uit liefde voor je vak of zit dat in jou?
“Dat zit in mij. Als ik een ander vak had gehad, had ik ook die drive gehad. Mijn vrouw zit in het onderwijs en daar kan ik me af en toe flink mee bemoeien. Als ik denk: hier klopt iets niet, dat kan beter, dan raak ik geobsedeerd. Onderwijs heeft met gedrag te maken. Kinderen die zich leren gedragen, die willen ook leren. Die zien dan dat leren leuk is. Soms moet je iemand uit de klas zetten, omdat zijn gedrag niet goed is. En als iemand hier een vuilniszak omstoot, dan pik ik dat niet, want ik woon hier. Het gaat om gedrag.”

Maar je hebt ook dat incident met die stadswacht gehad. (Stadswachten wilden Wouterse aanhouden, nadat hij de poep van zijn hond weigerde op te ruimen. Wouterse ergerde zich, liep door en maakte de stadwachten uit voor Gestapo.)
“Ja, dat ben ik ook. Die ene stadswacht was een heel vervelende man, die mij op mijn zondag een lesje kwam leren. Dat kon ik even niet hebben. Ik heb zijn huid vol gescholden, dat was mijn fout. Ik had meer fatsoen moeten hebben. Verder is er niks gebeurd. Wat in de Telegraaf stond, dat ik op die man ben ingereden, is echt onzin. Ik heb de volgende dag meteen mijn excuses aangeboden. Maar dat die man een ongelofelijke eikel was, dat neem ik niet terug, want dat was hij. Er zijn genoeg leuke stadswachten, maar dit was gewoon een heel vervelende.”

Je bent aanwezig, duidelijk, gepassioneerd. Tegelijkertijd kom je ook kwetsbaar en verlegen over.
“Ik heb al die kanten. Ik ben vaak een kluizenaar op feestjes. Al die mensen, ik kan dat niet. Ik ben absoluut verlegen. En dan ben ik kwetsbaar. Laat mij maar op het toneel staan, dan heb ik een rol. Als acteur durf ik alles te laten zien, durf ik dik en lelijk te zijn.”

‘Ik ben iemand met een hoog aaibaarheidsgehalte, sjans soms met het publiek’ 

Hoe sta je in het leven?
“Ik ben zeer levenslustig, maar ik kan ook heel depressief zijn. Dat is het punt. Er is geen tussengebied. Mijn vader zei altijd: ‘Jij bent een zessenmannetje.’ Maar als het om dit soort dingen gaat, ben ik een drie of een tien. Ik moet leren om dat middenpad te bewandelen. Ook met eten. Niet tien bitterballen, maar één.”

Wat geeft je de meeste voldoening?
“Mijn vrouw en mijn zoon. Ik heb 35 jaar dezelfde vrouw. Zij is mijn grootste liefde. Ik ben verliefder dan ooit. Liefde, daar moet je ook aan werken. We hebben samen veel meegemaakt, kennen elkaar door en door. Die gelaagdheid, dat levert zo’n rijkdom op. De opvoeding van onze zoon is ook goed gelukt. Hij is geweldig. Er zit geen enkel kwaad in hem. Dat zal deels met hem zelf te maken hebben, maar deels ook met de liefdevolle, intuïtieve opvoeding.”

Je zoon zei ooit dat jij hem vooral wilde behoeden voor de fouten die jij hebt gemaakt in je leven. Welke zijn dat?
“Vooropgesteld: ik heb nergens spijt van. Zelfs niet dat ik nu te dik ben. Dat is me overkomen. Ik had een aantal dingen beter niet kunnen doen, maar dat heb ik wel gedaan. Het is mijn leven. En ik ben blij dat ik weer leef. Maar ik vind wel dat ik er nu uit moet komen, want ik wil de laatste 15 jaar nog meemaken. Kijk, toen ik dertig was kon ik veel meer neuken. Tegenwoordig loop ik als een oude man. Maar ik lééf weer. Ik ben nu zo ontzettend helder. Dit is het hoogtepunt van mijn leven.”