This is the fucking life

Toen de frontman van de Belgische band dEUS een fototoestel oppakte, vond hij een nieuw doel in de vrije uren van zijn tourschema’s. Tom Barman trekt er alleen op uit en schiet abstracte foto’s van plekken waar je normaal achteloos aan voorbijloopt. Zijn verstilde foto’s staan in schril contrast met de kolkende muziek die hij maakt. In Rotterdam heeft hij tot 19 juni een verkoopexpositie van zijn werk.

“Ik heb ook film gedaan”, opent Barman het gesprek. “Ik zeg het maar omdat dit de evidentere link is naar fotografie dan muziek.” Hij zit ontspannen in Weisbard, de galerie van Hugo Borst in Little C, de nieuwbouwwijk onder de rook van het Erasmus MC. Zijn foto-expositie Hurry up and Wait hangt hier en Barman is er alle dagen dat de galerie open is. Hij voert geanimeerde gesprekken met bezoekers, luncht bij Kula op het terras, een glaasje witte wijn erbij, of eet ’s avonds een pizza in restaurant Old Skuola. Barman is in de buurt zolang mensen kunnen langskomen. Kunst ophangen, je uit de voeten maken en pas achteraf horen of het een succes was? Dat is niet zijn ding.

Over film gesproken, de filmacademie heeft hij dus niet afgemaakt: “Het eerste jaar was ik geflest op fotografie. Hoe noemen jullie dat hier? Gezakt! Wij noemen dat geflest of gebuisd. In het tweede jaar heb ik gespiekt op chemie, een vak dat nota bene het jaar erop afgeschaft zou worden. Ze betrapten me en ik kon vertrekken. Toen ben ik fotografie gaan studeren en dát heb ik niet afgemaakt omdat de muziek echt toegaf. Dit alles voor la petite histoire.” Hij glimlacht en nipt aan de huisgemaakte ijsthee van de pizzeria.

You don’t finish

Hugo Borst fluisterde in dat Barman een perfectionist is. Alles moet op de juiste plek staan of hangen. Hij haalt er zijn schouders over op. “Ik vind dat zo’n beladen woord, zeg. Ja het moet goedhangen, al is het ook een keer klaar. We zijn nu een plaat aan het afronden met dEUS en af is af, hoor. Faulkner zei het wel mooi: you don’t finish a work of art, you abandon it. Je verlaat het, stuurt het een keer de wereld in.”

En ja, toch is hij er alle dagen bij en loopt rond, checkt en hangt lijsten recht. “De eerste expositie was in Antwerpen, tijdens COVID. Die expo was mijn sociale leven. Bars dicht. Restaurants dicht. Ik kreeg echt schik én ik zag dat het iets deed met de verkoop. Mensen waarderen het als ik er ben. Dus toen heb ik gezegd: ik exposeer niet veel en áls ik exposeer, ben ik erbij.”

Eigenlijk is dat een beetje knettergek, maakt hij een wegwerpgebaar. “Ja op een art fair zie je ze wel, kunstenaars, maar dan zijn ze na drie dagen afgepeigerd. Ik ben het ook weleens beu uiteraard, maar dat is als er geen volk is. Dan denk ik: wat zit ik hier te doen?” Maar hij wil niet anders. Erbij zijn en de boel begeleiden tot het eind. Dat is Barman. “Misschien toch perfectionisme”, schiet hij in de lach om er met een knipoog aan toe te voegen: “Wat zal mijn therapeut ervan zeggen?”

Open eindjes

Barman is naar eigen zeggen een raadvrager: “Ik overleg met galeries en kunstenaars voor ik zelf de beslissing neem wat te doen. Ben ik niet te cheap of juist te pretentieus duur? Hoe pak ik het aan met de edities per foto?” Uiteindelijk kies hij wat bij hem past. “Ik vind zeven een mooi getal: zes plus één artist proof. Dus dat is de oplage, mijn editie. Makes sense for me. En de formaten, daar leef ik eerst thuis mee. Ik maak testprints en hang die thuis op. Met de ervaring ga ik steeds beter zien welk formaat bij een foto past. Deze is goed voor een klein formaat, deze kan groot goed gedijen.”

Neem zijn foto The Hit. Een desolate straat in een non-descripte stad in de Verenigde Staten. De zon kookt het asfalt. Drie mannen lopen rechts uit beeld, rug naar de camera. Op de voorgrond staat een schoen tegen een zuil, waar twee benen achter vandaan steken. Die foto moet enorm. “De schoen en de benen zag ik niet in mijn zoeker toen ik de foto trok”, erkent hij. “Ik was on tour met dat programma van de VPRO, Shot on location. Het was 2012, ik had net mijn eerste goede camera gekocht. Ik zag lijnen, ik zag architectuur en ik drukte af. Pas thuis, op groot formaat, zag ik het. Dat was een cadeau. Ik heb die foto The Hit genoemd omdat het me toen voor het eerst trof: wow, dit is echt leuk. En met een beetje fantasie, die drie mannen die weglopen, die man die achter die zuil ligt, kun je denken dat het een hit is, somebody got liquidated.”

Dat vindt hij ook het mooist, foto’s met een open einde. “Het mag niet te perfect zijn. Vandaar dat de horizons soms niet recht zijn, bijvoorbeeld. Ik krijg daar wel vragen over. Of ik dat expres doe. Nee, maar ik ga het ook niet corrigeren. In academische kringen is dat not done, weet ik, maar ik stond op een fucking vissersboot. Op de oceaan. Scheef is scheef.”

‘Normaal heb ik geen concept, geen vooropgezet idee. Ik ben iemand die op stap gaat als ik zin heb. Op tournee verlaat ik de bus en ga lopen.’

Geen concept

Die vissers in Portugal waren bewust. Barman woont een deel van het jaar in het land van de port en de bacalhau en ontmoette de vissers toen hij werkte aan nieuwe muziek. “Ik kom uit een familie van kapiteins dus het zit in mijn bloed. Een van die vissers zei: ‘Ga met ons mee’ en ik dacht: het zal wel zijn dat ik om zes uur ’s morgens mee op een boot ga. Maar ik stond paraat.

Normaal heb ik geen concept, geen vooropgezet idee. Ik ben iemand die op stap gaat als ik zin heb. Op tournee verlaat ik de bus en ga lopen. Ik pak dertig foto’s, delete de meeste direct in mijn zoeker. Thuis laad ik de paar die over zijn op mijn computer en laat ze daarna liggen. De onmiddellijke keuze is wel goed maar nog niet perfect. Daar moet ik langer over doen.”

Wat voor hem die écht goede foto is: een die je niet direct kan thuisbrengen, een geheim in zich heeft dat hij zelf ook niet kan uitleggen. “Willem de Kooning zei: a good piece of art is that you tried to place something but you can’t locate it. It doesn’t leave room to dream als het te goed geplaatst is. Kunst is mooi als er ruimte is om te dromen, te fantaseren. Ik zie te veel slechte kunst, zonder ruimte om te dromen. Die kunst is lui, speelt in op trends of is gewoon lelijk. Ik weet dat dit alles subjectief is, maar voor mij moet het wringen om mooi te zijn.”

Voorheen deed Barman dat soms bijna dwangmatig, dat laten wringen. Met dEUS bijvoorbeeld. “Als iets te mooi was, wilden we het kapot maken. Dus na het succes van Worst Case Scenario brachten we My sister = my clock uit. Pure zelf-sabotage. We hebben ons herpakt, gelukkig, maar inmiddels denk ik: zo heftig afbreken was niet nodig geweest. Het was een stap te ver. Alsof we bang voor ons eigen succes waren. Er waren bandleden die er een sport van maakten de boel kapot te maken. We zagen die zelf-sabotage als kunstvorm. Het is misschien ook wel het eclectische dat elke Belg in zich heeft. Wij kunnen niet anders. Zo staat er op de nieuwe plaat een hiphop-achtig nummer. We hadden daar nog wat ruzie over. ‘Zijn we dan ineens een hiphopact?’ Maar dudes, nee. Ik heb het al gedaan met Magnus, een van mijn zijprojecten. Ik maak mezelf er niet te belachelijk mee, dus voilà, laten we het erop zetten. Ik zie dat eclectische als verrijking. Maar goed, in een foto moet het onaffe gewoon af zijn. Zoiets.” Hij glimlacht mysterieus. “Laten we het daar maar op houden.”

De abstractie in gebruiksvoorwerpen

De foto’s van Barman vangen ogenschijnlijk lukrake momenten. Plekken waar je gewoonlijk langs loopt en de schoonheid niet van inziet. “Veel fotografen maken in het begin een fase door dat ze alles trekken en in het cliché vallen van het lelijke mooi willen maken. Als je daar eenmaal over zijt, wordt het interessant. Ook ik heb in het begin foto’s gemaakt waarmee je me nu kunt chanteren, mocht je ze kunnen vinden.”

Uiteindelijk ontwikkelt hij zijn eigen stijl. Abstract, contrastrijk, licht vervreemdend: “Dat fascineert me en vind ik spannend. Prima wat de kijker er verder zelf in ziet. Als ze er maar steeds weer naar willen kijken. Daarom hang ik mijn foto’s eerst thuis op. Als ik na drie weken op een foto ben uitgekeken, is hij niet goed.”

Wat die blijvende spanning in een foto kan zijn, hij weet het niet. En wil het eigenlijk ook niet weten. In zijn ogen is het een moeilijk te vangen grijze zone en in die zone ligt de droom die de fascinatie voedt. “Ik wil er ook gewoon geen woorden aan geven. In de tijd dat ik begon met fotograferen, begon ik ook met mediteren. En ik was toen ook echt moegeluld over de band. Dat zijn moordende interviewseries van twaalf per dag, twee weken lang. Ik kon niet meer. Op het eind wilde ik alleen nog antwoorden: ik heb een plaat gemaakt. Voilà. Klaar. Met fotografie kreeg ik iets van mezelf; geen grote machines om het te doen vertrekken, zonder management of wat ook. Camera onder de arm en op pad.”

‘Prima wat de kijker er verder zelf in ziet. Als ze er maar steeds weer naar willen kijken.’

Dáár ligt het contrast met zijn muziek. Het verstilde, desolate van Barmans foto’s versus de hectiek van zijn avantgardistische muziek. “Mijn missing link. Twee uitersten die wij allemaal in ons hebben, trouwens. In mijn songteksten zit die tegenstelling ook, maar dat is vaak niet te begrijpen door het lawaai dat de groep maakt. Mijn tip: probeer het niet te veel te begrijpen. Ik vind het genoeg te weten dat mijn uitersten mij in balans houden en zijn ontstaan naast elkaar. Ik ben op tournee begonnen foto’s te trekken, in de vele vrije uren die ik heb onderweg. Ik dwaal een paar uur door een stad en kom terug met drie goede foto’s. Dan denk ik: this is the fucking life. Ik mag optreden én heb een paar prachtige foto’s, it doesn’t get any better than that. En dat gevoel gaat blijven duren dus ik kan niet wachten weer op tournee te gaan.”

‘Mijn tip: probeer het niet te veel te begrijpen. Ik vind het genoeg te weten dat mijn uitersten mij in balans houden en zijn ontstaan naast elkaar.’

Voor altijd

Hij staat op, wil weer naar Weisbard. Kijken hoe het ervoor staat met zijn expo. Zijn blik gaat omhoog naar de nieuwbouw van Little C. Een on-Rotterdams wijkje dat tegelijk goed past in de stad. “Ik zoek deze randen op. Hier bevindt het echte leven zich. Misschien omdat ik aan een rand opgegroeid ben. Ik heb me nooit Antwerpenaar gevoeld, terwijl ik er geboren ben en er al mijn hele leven woon. Maar ik ben van de linkeroever, dat is anders.” Hij denkt na. Dan: “Belg zijn is ook in het centrum zitten, het centrum van Europa, maar er tegelijk buiten vallen. Dat gevoel van insider-outsider zit in ons. En dat maakt havensteden en tweede steden ook zo interessant. Antwerpen en Rotterdam zijn spannender dan Brussel en Amsterdam. Ik vind Manchester leuker dan Londen, Malaga fijner dan Barcelona. En sinds ik fotografeer vind ik die steden nóg toffer, want daar zijn veel interessantere dingen dan in die toeristencentra.”

Eenmaal in de galerie raakt Barman direct verzeild in andere gesprekken. Hij fladdert door de ruimte, spreekt mensen aan en geniet zichtbaar. “Vraag om een negroni”, fluistert hij in als hij langsloopt. De cocktail is een oud-Italiaans recept en volgens de frontman van dEUS hét aperitief aan het begin van de avond. Om er tot slot aan toe te voegen: “Touren met de groep, ik zie mezelf dat niet doen na mijn zestigste. Maar ik zie mezelf wél op mijn 83ste in mijn doka in Portugal zitten. Het is nog ver weg, maar voor mijn oude dag heb ik wel projecten op het oog. En daar zit weinig touren of studio bij. Eerder een restaurantje aan het strand.” Hij schiet in de lach. “Dat is ook geen rustige oude dag, hè?”