Rotterdammers maken Rotterdam

Zie mij voor wie ik ben!

Nienke Landré Tekst
Marieke Odekerken Beeld

Schrijver, programmamaker en presentator Karim Amghar leert al jong te bewegen tussen binnen en buiten, tussen de huiskamer waar Marokko woonde en de straat waar Nederland regels had die niemand je uitlegt. In aanloop naar de verkiezingen voor de gemeenteraad, wijk- en dorpsraden. vertelt Karim over wat er gebeurt als je sociale pijn omzet in vuur in plaats van stilzwijgen.

Karim groeit op in Bleiswijk, in een gezin van elf. Twee deuren verder woont buurvrouw Wil, die Karims Marokkaanse ouders wegwijs maakt in de Nederlandse samenleving. Dat doet ze op haar eigen, kordate manier. “Toen wij in die Bleiswijkse straat kwamen wonen, stond Wil meteen aan de deur. Met taart en… haar voet ertussen, want ze wilde duidelijk naar binnen. Mijn ouders waren dat niet gewend, maar Wil kwam koffie drinken. Het klikte tussen haar en mijn ouders en er ontstond een dagelijkse brug tussen werelden.”

Buurvrouw Wil

“Mijn ouders raakten al snel verknocht aan soaps, vooral aan Goede tijden, slechte tijden. Waarom? Omdat Wil elke dag keek. Dus zat ons hele gezin om 20.00 uur trouw naast haar op de bank.” Tussen die afleveringen door gebeuren kleine dingen die later groot blijken. “Wil vond dat de kinderen Amghar net als haar eigen kinderen moesten leren zwemmen, alleen moest ze mijn ouders nog overtuigen. Dat deed ze met het directe van een Nederlandse vrouw. Iets waar mijn vader aan moest wennen. In zijn cultuur was een vrouw mondig, maar vooral binnenshuis, niet daarbuiten.”
Maar het is geen eenrichtingsverkeer. “Bij ons stonden de deuren altijd open en iedereen kon mee-eten. Wil en haar gezin liepen in en uit en schoven gewoon aan. Tot mijn moeder haar, óók direct, toesprak: ‘Eerst handen wassen, voordat je met je vingers in de tajine roert.’ Zo leerden wij Nederland kennen en zij onze cultuur. Integratie ging twee kanten op.”

Liefde voor lezen

Karim is de eerste in het gezin die in Nederland wordt geboren. “De normen en waarden van de Marokkaanse samenleving heb ik geleerd in onze huiskamer. Daarbuiten leerde ik Nederland kennen.” Karims gezin is warm, maar ook veel. “We waren met elf in een huis met vier slaapkamers en een zolder.” Rust om te lezen of huiswerk te maken, is schaars. Daarom wordt de bibliotheek achter het huis belangrijk. “Wij hadden thuis geen computer, dus ging ik naar de bieb. Daar mocht je een half uurtje internetten. Direct daarna stond er een medewerker achter me: ‘Hé, pak je ook meteen een boek op?’ Niet als controle, maar als uitnodiging. Nadat me dat drie of vier keer was gevraagd, pakte ik toch maar eens een boek. Zo begon mijn liefde voor lezen. En daar lukte het me om een groot deel van mijn potentieel te benutten.”

Karim Amghar Gers! magazine
Karim Amghar

9/11

Op de basisschool voelt Karim zich niet bekeken. “Ik was gewoon Karim, die Pokémon-kaarten ruilde, bij vriendjes over de vloer kwam en voetbalde: ik heb nooit het gevoel gehad dat ik anders was omdat ik uit een Marokkaans gezin kom.” Dat kantelt op 11 september 2001. Karim is twaalf. Langzaam verandert er iets: een blik, een opmerking, het frame. Karim hoort zinnen die een kind niet hoort te dragen: ‘9/11 is júllie schuld, jullie willen het Westen kapot maken’. En: ‘Jullie zijn naar Nederland gekomen om hier de sharia in te voeren.’ En op het voetbalveld zelfs: ‘Kankermarokkaan, rot op naar je eigen land.’
Ook Karims vader wordt onderdeel van verhalen die niets met hem te maken hebben. “Mensen gingen ineens geloven dat mijn vader jaren geleden naar Nederland is gekomen om hier invloed uit te oefenen, terwijl mijn vader niets anders deed dan keihard werken. Z’n rug helemaal versleten voor een loon dat weinig meer was dan een fooi. Daar zat geen complot achter, maar de pure noodzaak om de monden van zijn kinderen te voeden.”

Onderadvisering en sociale pijn

Karim kent kansenongelijkheid niet uit grafieken, maar van vroeger op school. Zijn Citotoets wijst havo/vwo uit, maar toch krijgt hij vmbo-kader als advies. Karims oudere broer gaat mee naar het gesprek, zijn ouders niet. “Naar Nederlandse maatstaven betekent dit dat mijn ouders niet betrokken zijn, maar in Marokko wordt dat heel anders geïnterpreteerd. Daar is een leerkracht een ‘geleerde’, iemand met een hoge status. Laat je als ouders daar je gezicht zien, dan is dat een signaal dat je de school niet vertrouwt.”
In het gesprek motiveert de leerkracht Karims onderadvisering. Hij ziet het vmbo als een veilige start, waarmee Karim een succeservaring haalt en daarna kan doorstromen. Zijn intentie is wellicht goed: de leerkracht heeft ervaring met kinderen die zonder rust thuis of huiswerkbegeleiding uitvallen. Maar voor Karim is het desastreus.
Langzaam verandert hij. Van een slimme, beleefde leerling wordt hij “een jongen met een grote bek, in trainingspak met een Gucci-petje.” Hij raakt in conflict met de politie, hangt rond, flirt met criminaliteit. Karim noemt het sociale pijn: de klap van niet gezien worden. “En die pijn werkt door”, zegt hij. “Kinderen die ’s avonds worden voorgelezen, hulp krijgen met huiswerk en een rustige plek hebben, vertonen minder snel destructief gedrag. Dat vangnet is vaker aanwezig in de hogere en middenklasse dan in de wijk waar ik ben opgegroeid. Dit is geen etnisch, maar een sociaaleconomisch vraagstuk. Het geldt net zo goed voor de kinderen van Henk en Ingrid als die van Achmed en Fatima.”

Hans de wijkagent

In die periode hangt Karim met vrienden bij een bruggetje in hartje Bleiswijk. Zodra ze de politieauto met piepende banden aan horen komen, rennen ze hard weg. Maar komt er een fiets dichterbij, dan weten ze: dat is Hans, de wijkagent. “Hij kwam altijd naast ons zitten om met ons te praten, gaf een hand en sloeg soms een arm om je heen. Niet autoritair, maar warm. Hij checkte zelfs op school hoe het met me ging. Dat deed hij niet bij iedereen, alleen bij jongens van wie hij wist dat ze het anders wilden.”
Hans heeft een enorme impact gehad op Karims leven. Hij benoemt het zonder romantiek: “De criminaliteit lonkte, omdat het makkelijk leek. Daar kon ik veel meer geld verdienen dan met mijn krantenwijkje en bijbaan in de kassen.”
Met Tupac in zijn oren lijkt het criminele circuit soms zo slecht nog niet. “Maar Hans was er. En ook mijn vader en broers. Het waren toch altijd mannen die ik nodig had in mijn leven, die mij aandacht en liefde gaven, waardoor ik niet ontspoorde.”

Van Gucci-petje naar Hilfiger

Nadat Karim is geslaagd voor zijn vmbo, studeert hij verder aan het mbo. “Daar viel ik uit. Dat had vooral te maken met de lage verwachtingen die mensen van mbo-studenten hadden: waarom zou je je best doen, als het er toch allemaal niet toe deed? Dat heeft een enorme weerslag op mijn leven gehad.” Karim keert het mbo de rug toe en gaat werken als heftruckchauffeur. “Eervol werk bij een bedrijf waar stalen neuzen hoger in aanzien stonden dan mooie pakken.”
Karim is wel klaar met school. Tot wijkagent Hans en zijn broer Samir hem terugtrekken richting onderwijs. “De opleiding Communicatie & Media aan de Hogeschool Rotterdam was echt wat voor mij, vonden ze.” Karim doet een toelatingstoets en slaagt met vlag en wimpel. “In één week veranderde mijn leven en ging ik van Gucci-petje en trainingspak naar Gaastra en Tommy Hilfiger en ik leerde mezelf de Gooise R aan.”

Voor de klas

Karim haalt in drie jaar zijn hbo-diploma en begint als recruiter. Op een dag ligt er een motivatiebrief die zó raak is dat hij de kandidaat al wil aannemen. Hij plant een gesprek, maar de jongen komt te laat binnen, in trainingspak met Gucci-petje. ‘Ewa, jij bent toch ook Marokkaan?’, zegt hij. Al snel blijkt: de jongen weet niet eens bij welk bedrijf hij solliciteert. Karim stuurt hem weg. De deur knalt dicht: ‘Tazz, kaaskop!’ Woest loopt Karim achter hem aan en vraagt waarom hij zo onvoorbereid is. Dan valt het kwartje. Op school heeft de jongen vooral geleerd hoe je een perfecte brief schrijft, maar niet hoe een gesprek werkt.
Karim belt de school: waarom leren jullie dit niet? Een week later vragen ze of hij hen daarbij kan helpen. Intussen geeft Karim de jongen een tweede kans en legt hem uit wat er van hem wordt verwacht: nette kleding, een kwartier te vroeg aanwezig zijn en de website bestuderen. Dit keer lukt het en de jongen wordt aangenomen. Niet veel later staat Karim voor de klas op Rotterdam-Zuid. Daar ontdekt hij: zelfs de meest destructieve leerling heeft potentie, als er iemand is die erin gelooft.

‘Het geldt net zo goed voor de kinderen van Henk en Ingrid als die
van Achmed en Fatima’

Energie en impact

Zo kiest hij zijn route: niet die van een stip aan de horizon, maar één van energie en impact. “Uiteindelijk ben ik via het onderwijs overal ingerold. Ik heb nooit de ambitie gehad om te schrijven, maar ben het toch gaan doen om impact te maken. Nooit de ambitie gehad om tv-programma’s te maken, maar ik heb m’n bek opengetrokken als tv-programma’s niet representatief waren voor de jongeren met wie ik werkte… waarna ik werd gevraagd om tv-programma’s te maken. Ik heb nooit de ambitie gehad in raden van toezicht te komen, maar ik ben het toch gaan doen, omdat het impactvol is, dus alles in mijn leven heeft nooit te maken met die stip op de horizon. Ik ga altijd waar ik impactvol kan zijn, waar ik energie bij mezelf én bij anderen voel.”

Onverzadigbare schreeuw

“Laatst stelde iemand mij een vraag. Als ik het allemaal over zou kunnen doen, zou ik dan dezelfde weg afleggen? Ik zei zonder meer ja, mits de uitkomst zou zijn dat ik uiteindelijk kom waar ik nu ben. Geef me die pijn, geef me dat gejank ’s avonds in bed. Geef me dat betraande hoofdkussen, want die pijn, dat vuur heeft me gebracht waar ik nu sta. Het gaat mij niet om roem of rijkdom, maar het is een voortdurende en onverzadigbare schreeuw om erkenning: zie mij, zie mij nou voor wie ik ben!”

Laat je stem horen

Dan tot slot de verkiezingen voor de gemeenteraad, wijk- en dorpsraden. In Rotterdam is de opkomst al jaren te laag, zeker onder jongeren. Karim snapt waarom. “Ze denken dat hun stem toch niet meetelt. Niet omdat ze geen stem hébben, maar omdat die in de eerste achttien jaar van hun leven vaak niet serieus is genomen. Waarom zou dat nu ineens anders zijn? Maar weet je? We leven in een democratie. Stemmen is een recht én een plicht. Het boeit niet wie je bent, als je maar gaat. Elke stem doet ertoe.”
Hij kijkt ook naar de systemen eromheen. “Onderwijsinstellingen moeten het jongeren makkelijker maken om te stemmen, bijvoorbeeld met stembussen op scholen. En de politiek moet representatie serieuzer nemen: “Werk toe naar een gemeenteraad waarin mbo’ers zichtbaar zijn, want als je nooit iemand ziet die op jou lijkt qua buurt, achtergrond, schooltype… waarom zou je dan geloven dat jij meetelt?”

Daarom eindigt Karim met een oproep die hij het liefst op elk Rotterdams schoolplein ophangt: “Jongeren, gebruik je stem. Hij doet er sowieso toe.” En hij herhaalt het inclusief, tegen iedereen die ooit het idee kreeg dat ‘wij’ niet voor hen bedoeld was: “Of je nou Achmed of Pieter heet: stem!”