Rotterdammers maken Rotterdam

Ga toch fietsen

Debora Plomp Tekst
Aldwin van Krimpen Beeld

Fons Cazius is vader, fervent fietser en lid van CS010, dé wielervereniging van Rotterdam. Voor Fons en voor zijn gezin is fietsen net zo logisch als ademhalen.

“Wij doen eigenlijk alles op de fiets.” Fons zegt het alsof hij vertelt dat hij ’s ochtends zijn tanden poetst. Hij woont al ruim twintig jaar in Rotterdam en kent de stad van binnenuit: Feyenoord, Kralingen en nu het Lloydkwartier. Voor zijn gezin met twee jonge kinderen is de fiets het belangrijkste vervoermiddel. “Boodschappen, sportclubs, naar het station voor werk. Als het kan, gaan we op de fiets.”

Dat gaat vanzelf. “Ik ben ermee opgegroeid. In Gouda deed ik alles al op de fiets.” De sportieve klik kwam zo’n tien jaar geleden, toen hij in Rotterdam lid werd van CS010. “Ik wilde meer fietsen, kocht een racefiets en dacht: ik probeer die club wel. Het is gewoon heel gezellig, ook buiten het fietsen om. Op de weg geldt: samen uit, samen thuis. En als iemand erdoorheen zit, zorgen we dat iedereen veilig thuiskomt.”

Maar hoe fietsbaar is Rotterdam eigenlijk? Fons is positief én nuchter. “In de basis is Rotterdam best fietsbaar.” Tegelijk ziet hij waar het schuurt, vooral sinds hij met zijn kinderen fietst. “Dan merk je pas hoe spannend sommige plekken zijn. Smalle fietspaden, tweerichtingsverkeer, auto’s die dubbel geparkeerd staan. De Nieuwe Binnenweg… daar is dat bijna standaard.”

Waar het goed gaat, noemt hij net zo makkelijk. “De Westzeedijk en de Maasboulevard zijn fijn: breed, overzichtelijk. Ook rond de Kralingse Plas fiets je prettig.” Het verschil zit ’m vaak in ruimte. “Als er wegwerkzaamheden zijn, is het voor auto’s vaak strak geregeld. Fietsers moeten het maar uitzoeken. Dat kan echt beter.”

Waarom de fiets zo belangrijk is voor de stad? Fons hoeft niet lang na te denken. “Het is vaak de snelste en meest praktische manier om van A naar B te komen.” Hij lacht: “Ik had laatst een lekke band op weg naar de markt bij de Meent. Het ritje met de auto om mij op te halen duurde véél langer dan ik normaal op de fiets doe over dezelfde afstand.” Daarnaast is het simpelweg fijner. “Je kunt voor de deur stoppen, je bent buiten, je beweegt. Zelfs als je niet sport, zit je toch elke dag op de fiets.”
De sfeer in de stad verandert mee. “Op de fiets is het gemoedelijker. Je houdt makkelijker rekening met elkaar. Met auto’s zie je toch vaker gevaarlijke situaties.” Dat vraagt ook iets van fietsers zelf, vindt hij. “Door rood rijden of afsnijden helpt niet. Maar lange wachttijden bij stoplichten en geblokkeerde fietspaden spelen ook mee.”

Zijn grootste wens? “Dat kinderen vanaf een jaar of acht veilig zelfstandig naar school kunnen fietsen.” Volgens hem verandert dat alles. “Als je dát als uitgangspunt neemt, ga je anders naar de stad kijken. Brede fietspaden, fysiek gescheiden van auto’s, lagere snelheden. En denk aan doorstroming: een soort groene golf voor fietsers.”

En stemmen? Dat doet Fons zonder twijfel. “Zeker.” Want hoe Rotterdam fietst, wordt niet alleen op straat beslist. “Als je wilt dat de stad prettig, veilig en beweeglijk blijft voor alle fietsers, van jong tot oud, moet je je stem laten horen.”