RET’ers Ingrid Klaverdijk en Frans Barendregt zijn samen goed voor ruim vijftig jaar diensttijd op de tram. Ze noemen zichzelf lachend de oude garde. Niet omdat ze vastgeroest zijn, wel omdat ze alles al een keer gezien hebben. “Je hoeft elkaar niks meer uit te leggen. Dat is wel lekker.”
De stad heeft twee plekken waar voor de trams alles begint en eindigt. Remise Kralingen, in Noord, en remise Beverwaard, op Zuid. “Waar je begint, staat gewoon op je dienst”, legt Ingrid uit. “En daar zie je welke tram je pakt.” Het ritueel is altijd hetzelfde. Binnenkomen. Dienst melden. Naar je tram lopen. Deuren checken. Zand. Knipperlichten. Omroep. Alles nalopen. “Het is geen instappen en gáán. Pas als alles goed is, rijdt de tram naar buiten. De stad in. En dan begint je dienst pas echt”, zeg Frans.
Oude garde
Ze noemen zichzelf zonder schaamte de oude garde. Niet omdat ze vastzitten in vroeger, maar omdat ze weten wat ze aan elkaar hebben. “Met sommige collega’s heb je gewoon net iets meer”, zegt Ingrid. “Dat hoef je niet uit te leggen.” Frans knikt. “Je weet wie je kan vertrouwen. Als ik sturing zit, ons woord voor planning, en Ingrid dienst heeft, hoef ik niet te checken óf ze er is. Ze ís er.” Het zit ’m in kleine dingen. Ze lachen veel, nemen elkaar ook in de maling. Maar als het serieus wordt, is het ook serieus. “Wij kunnen alles tegen elkaar zeggen”, stelt Frans. “Zonder gedoe.”
Eigen baas
Ingrid rijdt al 29 jaar tram. Frans zit er 25 jaar, waarvan een flink deel óók op de planning. Geen van beiden begon met een groot carrièreplan. “Ik was werkloos”, zegt Ingrid nuchter. “Een vriend werkte hier. Ik dacht: zolang ik niks heb, doe ik dit wel.” Ze lacht. “En toen was ik ineens bijna dertig jaar verder.”
Frans komt uit de verkoop. “Vijftien jaar hetzelfde riedeltje. Ik had het gezien.” Hij solliciteerde bij de RET als een soort geintje. Hij lacht er nu om. “Dat geintje is een behoorlijk serieuze baan geworden.”
Wat hen bindt met hun baan? Vrijheid. “Je bent eigen baas”, zegt Ingrid. “Je kent alle lijnen. Je weet waar je tijd kan pakken en waar niet. Geen chef die in je nek hijgt.” Frans vult aan: “Maar vergis je niet: je mag nooit te vroeg van een halte vertrekken. Te laat? Tja, dat kan gebeuren. Maar harder rijden zit er niet in.”
‘Je mag nooit te vroeg van een halte vertrekken. Te laat? Tja, dat kan gebeuren. Maar harder rijden zit er niet in’
Noord en Zuid
“Vroeger wilden collega’s van Zuid niet in Noord rijden en andersom”, zegt Ingrid. “Dat is niet meer. Alles is nu gemixt. De ene dienst begin je op Noord, de andere op Zuid.” Gedurende je rit verandert de stad ook mee. Van Hillegersberg tot de Nieuwe Binnenweg. Van Carnisse tot Centraal. Noord en Zuid smelten samen in één dienst. “Dan zie je echt de hele stad aan je voorbijgaan”, zegt Ingrid. “Van kak tot chaos.”
Frans grijnst. “De mentaliteit verandert ook. In Noord zeggen ze nog netjes goedemorgen. Op Zuid… toch wat minder.” De stad is in al die jaren veranderd. “Ik mis soms die typische oude Rotterdamse sfeer”, zegt Ingrid. “Geen blad voor de mond. Alles eruit floepen. Dat was goud.”
Altijd scherp
Wat mensen vaak vergeten: hoe scherp je moet zijn. “Als trambestuurder corrigeer je de hele dag fouten van anderen”, zegt Frans. “Auto’s die afslaan alsof je onzichtbaar bent. Fietsers met oortjes in. Jochies op fatbikes die nergens naar kijken.” Ingrid knikt. “Wij worden onderschat. Hoeveel ‘net goed’-momenten je per dag hebt… dat is echt veel.”
En soms gaat het mis. Frans maakte vroeg in zijn carrière een dodelijk ongeluk mee. Hij vertelt het rustig, maar zijn woorden raken diep. “Ik reed stapvoets weg. En toen opeens die fietser. Ik tikte hem aan. Hij viel.” Stilte. “Je denkt eerst: dit valt mee, toen hij nog even overeind kwam. Totdat het ergste blijkt. Dan moet je een oproep doen. Maar je weet ineens niet meer waar je bent. Je bent alles kwijt.” Frans ging twee dagen later weer werken, maar vergeten, dat nooit. “Ik dacht: als ik nu te lang stop, stap ik nooit meer op de tram.” Hij verwerkte het zonder goede begeleiding, zegt hij eerlijk. “Dat zou nu anders zijn.”
Ingrid knikt. Zij herkent het. Ze vertelt over een incident op de Kruiskade in haar eerste jaar. Iemand onder de tram. “Alleen een hoofdwond gelukkig.” En dan, drie jaar terug: midden in een schietpartij op de Coolsingel tijdens Koningsdag. “Ze gingen schuilen achter mijn tram. En ik zag die gozer met dat pistool lopen. Ik dacht: oké… waar ga ik naartoe? Deuren dicht, door het rood. Ik dacht alleen maar: ik ga hier weg.” Ze relativeert makkelijk: “Twee incidenten in bijna dertig jaar. Dat is toch niks. Ik voel me altijd veilig. We hebben een noodknop. Dan ben je gelijk in contact met de Centrale Verkeersleiding. Camera’s gaan aan. Politie.” Frans: “En we zijn goed afgeschermd. De hele dag. Vroeger niet.”
Achter glas
Contact met reizigers is daardoor wel veranderd. Vroeger stond de cabine open. Mensen kwamen even binnen. Een praatje. Een grap. Nu zit er glas tussen. “Voor de veiligheid is het beter”, zegt Frans. “Maar ik mis het wel”, stelt Ingrid. “Je hoorde gesprekken. Rare verhalen. Je lachte mee vanuit je cabine. Dat heb je nu niet meer.”
Toch zijn er vaste gezichten. Mensen die je elke dag ziet. Soms verdwijnen ze ineens. “Dan vraag je je af: waar is die gebleven?”, weet Frans. “En dan hoor je via-via dat iemand is overleden. Dat doet wat met je.”
Ritme van de stad
Een lege tram? Bijna nooit. Frans: “Alleen ’s ochtends heel vroeg, de eerste rit om vijf uur. Daarna is het altijd druk.” Favoriete tijdstip? Unaniem vroeg. “Ik ga liever om vier uur ‘s ochtends m’n bed uit dan om twee uur ‘s nachts erin”, vindt Ingrid. Frans lacht: “De stad zien wakker worden… Dat blijft mooi. En sommige stukken blijven speciaal, zoals de Erasmusbrug.” En vanaf Marconiplein richting Schiedam en Vlaardingen. “Dan wordt het ineens rustig”, zegt Ingrid. “Heerlijk.”
Achter het uniform
Vrije tijd is écht vrij. “Als ik uitstap, is het klaar”, zegt Ingrid resoluut. “Morgen weer een dag.” Frans moest dat leren toen hij de planning erbij nam, maar nu lukt het. Bij Ingrid draait vrije tijd om haar gezin en haar passie voor paarden. “Dat is mijn uitlaatklep. Stallen mesten, rommelen. En ik ga er graag met de camper op uit, met mijn man.” Ingrid ontmoette hem bij de RET. “Ook trambestuurder. Geen romantisch filmverhaal, hoor.” Ze glimlacht. “Maar wel leuk.”
Frans vindt zijn plezier in sporten, vrijwilligerswerk en op de fiets. Naast zijn werk bij de RET is hij gids bij Fietstourtje Rotterdam. “Dan ben ik weer met vervoer bezig, maar op een heel andere manier. Dan leg ik groepen uit dat je in Rotterdam van strand naar strand kunt rijden met het OV, van Nesselande naar Hoek van Holland.” Hij lacht. “En ik leer zelf ook nog dingen. De kubuswoningen bijvoorbeeld. Ik reed er honderd keer langs zonder het verhaal erachter te weten.” Het directe contact met mensen vindt hij terug als gids. “Dat mis ik soms op de tram”, zegt hij.”
Goed geregeld
Waarom ze blijven? Waarom ze morgen weer achter het stuur gaan zitten? Niet alleen vanwege het werk, de liefde voor de stad en de collegialiteit. Maar ook omdat het klopt. “Leuk werk, vrijheid en een goed salaris”, vertelt Ingrid. “Goede roosters. Veel vrije dagen. Gewoon goed geregeld”, aldus Frans.