Rotterdammers maken Rotterdam

Rotterdam mijn Sportstad

Barbara Hoogsteden Tekst
Studio 1/60 Beeld

Het ABN AMRO tennistoernooi, het World Port Tournament, de Marathon Rotterdam. Grote namen die van Rotterdam een sportstad maken. Maar er gebeurt veel meer op het gebied van sport. Op kleinere schaal en met minstens zo’n groot effect. De praktijk in vijf stappen aan de hand van Peter van Veen, directeur Sport & Cultuur bij de gemeente Rotterdam.

Rotterdam mijn Sportstad

“In 2005 was Rotterdam sporthoofdstad van Europa. Als stad kregen we de mogelijkheid om ons nationaal en internationaal op de kaart te zetten. Een stad die sport ademt. De samenwerking tussen allerlei organisaties beviel heel goed en bleek een succes. Rotterdam mijn Sportstad is daar een gevolg van. Het is een vlag, een merknaam. Daaronder werken de gemeente, Rotterdam Sportsupport en Rotterdam Topsport samen. En daar weer onder werken nog meer organisaties mee om Rotterdam als sportstad verder te ontwikkelen.”

Budget

“In deze collegeperiode is een dikke 20 miljoen euro beschikbaar voor de sport in Rotterdam. In het Uitvoeringsprogramma Sport staat beschreven waar dit geld naartoe gaat. Denk aan sport en bewegen voor ouderen, sport voor mensen met een beperking en talentencentra. Het programma Lekker Fit! zorgt ervoor dat scholen weer een sportdocent krijgen. En dan juist de scholen waar obesitas een probleem is. Bedrijven als Evides en Unilever werken hieraan mee om gezond eten en drinken te stimuleren bij kinderen.”

Plezier in sport

“70 procent van de Rotterdammers moet uiteindelijk aan sport doen. Dat is het doel voor 2016. Landelijk is de ambitie 75 procent. In een dorp met veel groen en hoogopgeleide bewoners waarschijnlijk makkelijk te halen. In een stad als Rotterdam is dat lastiger en uitdagender. Zeker in deze tijd van crisis, waarin veel sponsoren afhaken en deelgemeenten bezuinigen op het gebied van sport. Wat eigenlijk veel belangrijker is, is de ambitie om sportstad te zijn. Plezier in sport moet boven alles staan.”

Side-events

“Rotterdam heeft veel grote, nationale en internationale evenementen, zoals de marathon en het WK Turnen. Wat minstens zo belangrijk is, zijn de daaraan gekoppelde side-events. De betreffende sport aan de stad laten zien, maar vooral uitnodigen mee te doen. Tijdens het WK Turnen was Ahoy gevuld met allemaal kleine Epkes Zonderland, maar ook kinderen die nog nooit hadden geturnd. Zo geef je bekendheid aan een sport. Sinds dit jaar duurt de Marathon van Rotterdam twee dagen. Op zaterdag zijn er allerlei prestatielopen, waaronder de Kidsrun. Kinderen lopen een deel van het parcours. Het enthousiasme van de kinderen die daaraan meedoen, is heel indrukwekkend.”

Om trots op te zijn

“Rotterdam mijn Sportstad is de vlag en daaronder zijn zoveel verenigingen, scholen en organisaties bezig om hun steentje bij te dragen. Verenigingen die meer willen doen voor de stad, zoals voetbalvereniging VOC die training geeft aan verstandelijk gehandicapten. Of het topsportonderwijs, middelbare scholen die kinderen met sporttalent begeleiden, zodat zij al vrij snel weten wat het leven van een topsporter inhoudt. Rotterdam mijn Sportstad is iets om trots op te zijn. Ik durf dit verhaal wel te vertellen in die andere stad, Amsterdam.”

Wie brengt dat jongetje respect bij in het heetst van de strijd? Wie stimuleert die oudere om mee te doen aan een training? Drie portretten van mensen die zich dagelijks inzetten om van Rotterdam een sportstad te maken. Voor iedereen.

‘Er valt natuurlijk weleens een vloekje’ 

Ronald Hiwat (51)

Geen kapsones, niet vloeken en respect voor elkaar: dit zijn de drie gouden regels bij boksschool ‘I believe’ in IJsselmonde van Ronald Hiwat. Kinderen en jongeren leren hier boksen en vinden een luisterend oor. Ronald krabbelt meteen een beetje terug. “Er valt natuurlijk wel eens een vloekje. Wij zijn uiteindelijk wel Rotterdammers. Maar we respecteren elkaar. Nederlands, Turks, Marokkaans of Antilliaans. Maar ook autistische kinderen en kinderen met een niet-aangeboren hersenletsel. Een knapie van vijf was ik, toen ik kennismaakte met boksen. Ik was meteen door het spelletje gegrepen. Later bleek ik talent te hebben. Heb aardig wat prijzen gewonnen. Na het boksen raakte ik in de problemen, rookte een blowtje en meer. Met mij is het uiteindelijk goed gekomen. Heb mijn eigen gevelrenovatiebedrijf. Weet je, we zijn net opa en oma geworden. Mooi toch? Maar zoals ik zijn er natuurlijk veel jongeren. Die hebben geen doel voor ogen, lopen met de ziel onder de arm. Zorg dan maar dat je op het rechte pad blijft.

Ik kreeg het idee een boksschool op te richten. Een sportschool plus, een thuishaven voor deze jongeren. Ze leren normen en waarden, maar we geven nu ook kooklessen. Het is keihard werken naast mijn baan overdag. Dat geldt ook voor mijn vrouw. Het is een soort roeping. Als ik die meiden en knullen jaren later zie met een baan, dan ben ik trots. Op woensdagavond maak ik een maaltijd. Dan eten we met elkaar. Dat kan Surinaams of Turks zijn, maar ook een ‘prakkie’ met een bal gehakt. Rotterdam is een sportstad, maar vooral een boksstad. Hoe dat komt? Boksen was een goedkope sport. Heel vroeger waren andere sporten niet te betalen. Boksen kostte een dubbeltje per les. Overigens beginnen we binnenkort met boksen op soulmuziek. Echt voor de dames, billen, bovenarmen en buik worden getraind. Ik zou nog zo veel meer willen doen.”

‘Er hangt hier een gezonde havenmentaliteit’ 

Marcel de Jong (51)

Thuis op Straat (TOS) staat voor een gezonde en sociale leefstijl in Charlois. Mensen van TOS gaan zes dagen per week met een tas spelbenodigdheden naar pleintjes voor activiteiten met kinderen. TOS is ook beheerder en programmeur van het Sportplaza Zuiderpark; een openbaar sportcomplex achter Ahoy’. Projectleider Marcel de Jong: “Het is gigantisch en de toegang is gratis. We hebben er prachtige voorzieningen. Zo kan je er voetballen, basketballen, handballen en tennissen, maar er staan ook fitnessapparaten en er zijn waanzinnige skateheuvels en een boulderpark. Samen met twee collega’s en een groot aantal oproepkrachten uit de wijk staan wij zes dagen in de week klaar voor hulp en begeleiding. Om jongeren te bereiken, moet je naar buiten. Daar viel op dat de grootste klootzakken op het pleintje de baas zijn. Dat mag natuurlijk niet. Het pleintje in de wijk is van iedereen.

TOS geeft de openbare ruimte terug. Dat spreekt me enorm aan. We doorbreken het recht van de sterkste. Wanneer kinderen veel met sport en spel bezig zijn, zitten ze lekkerder in hun vel. Ik ben ervan overtuigd dat ze ook beter presteren op school. Iedereen is bij ons welkom, maar we vragen er wel iets voor terug. Je moet de boel heel laten en respect hebben voor anderen. Soms komen er jongeren verveeld rondhangen op het skatepark, maar als je ze verleidt tot een potje basketbal is dat zo weer over. Nee, ik kom niet uit Rotterdam. Ik woon in de Hoeksche Waard. Ik werk mijn hele leven in Rotterdam-Zuid. Zuid is een beetje de boerenzijde, net zoals de Hoeksche Waard, dus wat dat betreft scheelt het niet veel. Na al die jaren kan ik stellen dat Rotterdam een sportstad is. Kijk alleen naar het ABN AMRO tennistoernooi. Daar omheen organiseren wij in de wijk tennistoernooitjes. Het versterkt elkaar prima. De Rotterdamse mentaliteit zie ik zeker terug. Er hangt hier een gezonde havenmentaliteit. De boot moet eerst leeg voor we verder kunnen.”

‘Door karate leerde ik omgaan met agressie’

Patric van Daalen (35)

Nadat Bruce Lee hem inspireerde als 6-jarig jongetje, wilde hij zelf op karate. Maar zijn moeder vond een vechtsport maar niks. Patrick van Daalen: “Op de basisschool werd ik gepest. Dat loste ik op met vechten. Toen ik uiteindelijk toch op karate mocht, leerde ik met mijn agressie omgaan. Ik geef de training Pestkopproof aan kinderen. Stevig in je schoenen staan, grenzen herkennen en erkennen, je positieve kanten ontdekken en lette op lichaamstaal; dat zijn de thema’s die we behandelen. Positief coachen is daarbij belangrijk. Het gaat er soms emotioneel aan toe. Op verzoek van de gemeente Rotterdam geven wij deze trainingen ook op scholen. Zelf heb ik het zwaar gehad toen ik tijdens het WK in Brazilië geblesseerd raakte. Mijn doel om wereldkampioen te worden eindigde in het ziekenhuis waar ik een virus opliep. Als gevolg daarvan ben ik chronisch vermoeid. Maar ik heb daar mee leren omgaan.

Ik zorg nu goed voor mezelf, maar moest eerst door een diep dal gaan om hier te komen waar ik nu ben. Inmiddels weet ik dat ik op de wereld ben gezet om trainer te worden. En geen topsporter. Wij leveren de meeste kampioenen af op het gebied van karate in Nederland. Wij zijn hofleverancier voor het Nederlandse team. Maar daarnaast hebben wij een maatschappelijk doel. ‘We maken cursisten – vaak pubers – bewust van de consequenties van hun gedrag. Die gasten bereik je niet door ze in een schoolbank te zetten en met het vingertje te wijzen. Ik ben opgegroeid in Rotterdam, dus ik weet hoe het er aan toe gaat op straat. Ik reis veel. Als Rotterdammer ben ik natuurlijk sowieso trots op onze stad, maar als ik ergens trots op ben, is het wel hoe sport wordt gepromoot en wij de faciliteiten krijgen om dit uit te dragen. En natuurlijk leveren wij kwaliteit.”