Bakkerij Hendriksen

Gedicht

Voor L.F.


Krentenbollen, kaasstengels, puddingbroodjes: alles
doet u watertanden vanachter glas. Ik kneed het

deeg, vlecht een brood, de oven zweet
de morgen uit. Bloem op mijn wangen, een eigele

zon komt op in de straat. De harde werkers: fiets,
wandelwagen, gepoetste schoenen onderweg naar

een glansrijk perspectief. Wie vertelt de student
dat alleen de besten komen bovendrijven?

Wie troost de jonge vader die niet slaapt?
Ik sta in dit lustoord, lok u binnen met zoete

woorden tegen een goede prijs.
Gebak dient de mens, in rouw en plezier.

Custard, bonbons, een taart van marsepein.
Met spijs plak ik uw gebroken hart.


Leffring, Myrte (2020). Bakkerij Hendriksen is speciaal geschreven voor deze editie van Gers!.




Myrte Leffring

Myrte Leffring (1973) vindt in de stad inspiratie in de mensen om zich heen. In de jeugd van nu mist ze soms persoonlijk contact.

“De nieuwe generatie is bevreesd om een telefoon te pakken om mee te bellen. Het gebrek aan communicatie doordat je elkaar niet hoort of elkaars gezichtsuitdrukking niet ziet, zit inmiddels in veel van mijn gedichten. Er wordt eigenlijk de hele tijd weggekeken van elkaar. Ik vraag me af hoe dat voor onze jonge mensen is. Wat word je dan voor soort mens?

Ik denk dat je door met elkaar te praten, over poëzie bijvoorbeeld, over echte gevoelens kunt spreken. Dat zie ik ook bij de deelnemers aan mijn poëziecursussen. In de poëzie kun je niet om jezelf heen. Dan denk ik: wow, er ontstaat nu een contact dat via die taal is ontstaan. Dat zou niet zijn gebeurd als je maar een beetje met elkaar had zitten te appen.”

Je schreef speciaal voor Gers! het gedicht ‘Bakkerij Hendriksen’. Er zitten meer bakkers in je werk. Waar komt dat vandaan?

“Brood is gewoon zo’n wezenlijk iets, denk ik. Het is symboliek, en ik houd van bakkers. Bakkers bieden troost. Er gaat trouwens ook heel veel brood om in mijn huishouden! In een goed gedicht zit brood. Toch? Ach, soms is het gewoon wat het is. Sommige mensen willen in een gedicht gaan zitten graven en dan denk ik: (fluistert nu) doe maar niet!”