Duizenden Rotterdammers zweren er bij: even de plas om. Voor de Rotterdamse schrijver Anton Slotboom is het zelfs een dagelijks ritueel. In deze speciale verkiezingsaflevering gaat hij de Kralingse Plas om met Arjen van Veelen, spraakmakend columnist van NRC Handelsblad en auteur van Rotterdam, misschien wel hét boek over wonen en leven in de stad.
Je verwacht het niet van een stadsmens, bedenk ik me als Arjen van Veelen opeens stil gaat staan en besluit met zijn smartphone de Kralingse Plas vast te leggen. Op verzoek van de fotograaf zijn we net de uitkijktoren opgeklommen. Het is al koud en bijna donker, de plas is leeg, de wandelpaden ook. “Het lijkt wel of we in Zweden zijn”, zegt hij.
Soms, zegt Arjen, is de natuur in Rotterdam dichterbij dan je denkt. Hij woont in Rotterdam-West. Daar is het stadsleven vooral razend druk. Maar de schrijver van het boek Rotterdam, het zelfs op het stadhuis veelgelezen boek over de stad, dat vier jaar geleden verscheen, blijkt na het verschijnen ervan helemaal aan de natuur verslingerd geraakt. Hoe dat kon gebeuren? Arjen hield kantoor bij Blaak. Een betonnen omgeving waar de natuur ver weg is. Daar vertrok hij. Hij belandde op een kantoor in De Esch. Dat heeft veel bij hem losgemaakt. “Ik wist niks.” Maar opeens weet hij veel van vogels, van groen, van de rivier. De Esch is een uniek gebied in de stad, zegt hij. Bij de Kralingse Plas komt hij minder vaak, al heeft hij er net als zo’n beetje iedere Rotterdammer sporen liggen; ook hij kwam hier al als schoolkind. “Het verrast me”, zegt hij als hij een half uur lopen later opnieuw stilhoudt. Er komt een grote groep vogels overvliegen. We staan op het looppad langs het water, er is niemand om ons heen. “Hoor je dat geluid? Waanzinnig mooi.”
Waanzinnig mooi. Is de stad Rotterdam dat ook voor jou?
“Oh, zeker wel. Ik woon hier al jaren met groot plezier.”
Toch moeten we iets bespreken. In onze mooie stad was de verkiezingsopkomst de vorige keer het laagst van heel Nederland. Na even te hebben nagedacht: “Die lage opkomst geeft vooral aan dat er een soort hopeloosheid is ingedaald bij mensen. Het maakt niet uit, je doet er toch niks aan: dat idee. Het gevoel dat je er toch niks aan kunt doen, zit sowieso diep in Rotterdam. En daar kun je als politicus maar deels wat aan doen, denk ik. De gemeenteraadsleden werken hard voor weinig, ze zijn bezig met ingewikkelde zaken en de burger denkt: ze luisteren niet. Gemeenteraadslid zijn is ondankbaar werk. Ik denk dat Rotterdam deels ook niet zo heel veel aan die lage opkomst kan doen, omdat er gewoon landelijke en wereldwijde issues spelen.”
Rotterdammers hebben te weinig vertrouwen? Bedoel je dat?
“Er spelen zeker issues van vertrouwen. Er zijn bovendien gewoon verschuivingen aan de gang in de economie. En demografische verschuivingen. Er bestaan in Rotterdam wijken waar een groot deel van de bevolking arbeidsmigrant is. Ik kan me goed voorstellen dat die arbeidsmigranten in hun eigen bubbel leven.”
Dan is stemmen misschien wel een ver-van-je-bed-show.
“En dat niet alleen: ik denk dat heel veel Rotterdammers bezig zijn met overleven. Dan is stemmen een luxe ding.”
Eigenlijk krik je de verkiezingsopkomst op met het bestrijden van armoede? Bedoel je dat?
“Ja, want dan hebben mensen in ieder geval weer de mentale ruimte om zich druk te maken over hun stadstad en dan zijn het niet meer alleen de mensen die in goeden doen zijn, die zich met de Rotterdamse politiek bemoeien.”
Rotterdam is tegelijkertijd arm en rijk. Veel Rotterdammers komen niet in contact met de andere kant van de stad, de kant waar ze zelf niet bijhoren.
“Het is heel dubbel. Ik woon in Rotterdam-West en ik ben het af en toe echt zat dat mensen voor de deur plassen of ‘s nachts schreeuwen. Ik merk ook dat de overlast op straat toeneemt. Het vergt alleen heel veel inzicht om te beseffen dat je dit probleem niet gaat oplossen door mensen keihard vijf boetes per dag te geven.
Dit is een probleem dat is ontstaan door de manier waarop wij onze economie hebben ingericht. Die leunt op goedkope arbeid uit andere landen. Dan moet je niet zeuren als van die goedkope arbeiders er één op de honderd uitvalt en op straat gaat zwerven. Dan moet je niet goedkoop-duurkoop willen doen, vind ik. Het is triest dat mensen aan de ene kant massaal pakketjes bestellen voor niks, en spulletjes uit China voor weinig, maar als er dan overlast is, de plegers simpelweg harteloos van straat worden geveegd en geen recht op gemeentevoorzieningen hebben.”
Dit is een harde kant van onze mooie stad. Terwijl we, ondanks de ingevallen duisternis verder lopen, de plas helemaal om, stelt Arjen: “Is de stad herbergzaam? Dat vind ik een heel belangrijke vraag. In een onherbergzame stad is het guur. In een herbergzame stad kun je een huis kopen voor een normale prijs en kun je op straat lopen zonder dat je wordt lastiggevallen.”
Maar wacht even: hier heeft de politiek toch geen invloed op?
“Nou, denk hier eens aan: welke woningprojecten geven we hier een duwtje? En welke juist niet? Dan denk ik: er is in Rotterdam veel te winnen. Want het begint met die basisvraag: kun je terecht in de stad om te wonen? Als je de opkomst bij de verkiezingen hoger wil maken, zorg dan dat iedereen een huis heeft. Als je de stress op straat wil verminderen, zorg dan dat iedereen een woning in kan. Het is goed dat je over dakloosheid begint, want dat is een soort topje van de piramide. Daaronder vind je een enorme hoeveelheid stress van mensen die ergens tijdelijk wonen of torenhoge lasten hebben, daarom drie banen nodig hebben en hun kinderen dus te weinig zien. Je moet het eigenlijk steeds terugvoeren naar die basis. Je kunt ook echt wel zeggen als stad: nee, we gaan dat ene project, dat geen bijdrage levert aan goedkope woningen, niet doen.”
‘Er is in Rotterdam veel te winnen’
Maar in het Rotterdam van de toekomst worden juist heel veel prachtige torens gebouwd. Met, inderdaad, prijzige woningen.
“Rotterdam was er altijd goed in voor alle groepen te bouwen. Er waren altijd al iconische projecten. Ik bedoel niet alleen de Markthal en de Erasmusbrug, in de stad van gedurfde architectuur, maar ook sociale huurwoningen op A-locaties. Naast de Kubuswoningen staat het Potlood. Dat was gewoon sociale woningbouw.”
We zijn ongemerkt de plas bijna rond. Het is echt donker geworden, mensen komen we nauwelijks tegen, je zou het een gure avond kunnen noemen. Maar dat is het niet voor Arjen. Hij werkt in De Esch, hier vlakbij, en houdt juist van de natuur. “Polder de Esch is een zeldzaam mooi natuurgebied, een soort ruig moerasbos zoals je ooit overal langs de rivier zag. Ik dompel me er soms helemaal onder in de natuur, maar het is een minstens zo mooi cultuurlandschap. Dit was de gouden bocht; er stonden drie landhuizen. De zomerdijk en de weilandjes met boerderijen zien er nog min of meer uit als in de dertiende eeuw. Ik zie er Rotterdamse dingen die ik eerder niet zag. Zeehonden in de Nieuwe Maas die op vissen jagen. Buizerds, bevers en groene spechten.”
Je glimt helemaal, maar je hebt het niet meer over mensen. Toch opvallend.
“Maar weet je wat grappig is? In de bijna tweeënhalf jaar dat ik daar nu zit, heb ik al meer mensen ontmoet dan in de zes jaar die ik in Rotterdam-West woon. Hondenliefhebbers, mariniers, havenmensen, mensen die zomaar even voor zich uit staren op een bankje.”
Ha! Het lijkt wel of je verliefd bent op dat deel van de stad.
Lachend: “Inderdaad. Dat is ook echt zo.”