Ze kwam in mei 2011 voor de ChristenUnie in de Tweede Kamer, werd gelijk uitgeroepen tot politiek talent van het jaar en was minister in de kabinetten Rutte-III en IV. Nadat ze in juli 2024 de landelijke politiek de rug toekeerde, toog ze naar de plek waar haar hart ligt en haar huis staat. Carola Schouten werd op 10 oktober 2024 beëdigd als burgemeester van Rotterdam. Ze vertelt over haar band met de stad en in elk woord klinkt haar betrokkenheid met de inwoners van haar stad door: “Dit is veel mooier dan de landelijke politiek.”
Opgegroeid in het Noord-Brabantse gehucht Giessen, verhuisde ze op haar zeventiende naar de stad aan de Maas. Ze ging Bedrijfskunde studeren aan de Erasmus Universiteit. Vroeger dan gebruikelijk, geeft ze toe: “Ik wilde leren, dus ik ben op mijn derde naar de basisschool gegaan.” Ze wist ook al vrij snel dat ze in Rotterdam wilde studeren: “Ik kom uit een heel klein dorp en wilde naar een grote stad, daar gebeurde het in mijn ogen. En nou ja, in Rotterdam gebeurde het zeker. Het was 1995 en in die tijd lag de stad, zeker in West waar ik ging wonen, er wel anders bij. Dat stond met reden bekend als het Wilde Westen. Ik heb er mijn ogen uitgekeken. Wat er allemaal gebeurde en speelde, dat was niet mals.” Sinds die dag dat ze haar eerste schreden in West zette, heeft Carola haar hart verpand aan dit deel van Rotterdam. “Ik ben altijd blijven wonen in een straal van een kilometer van mijn eerste huis en ik woon er nog steeds met veel plezier. Rotterdam heeft geen ambtswoning en daar ben ik blij mee: ik woon lekker nog op mijn eigen plekje, waar ik de mensen ken. Ik ben nu wel burgemeester, maar ik kan nog steeds in mijn spijkerbroek naar de bakker en de supermarkt. Daar geniet ik van, want ik ben nog steeds de buurvrouw voor de mensen uit mijn buurt. Daar zijn we in Rotterdam nuchter over… gelukkig maar.”
De vriendelijke bode zet een sjiek theekopje met het stadswapen naar haar toe gekeerd neer, op het papier van een flinterdun chocolaatje staat ook het wapen van de stad met de krachtige leeuwen en de lijfspreuk van elke stadgenoot Sterker door Strijd. Intussen frummelt Carola met een paperclip om iets omhanden te hebben. Wat was precies de aantrekkingskracht van deze stad, een vraag die haar moeder ook had toen ze haar dochter afzette op de Vierambachtstraat. Ze schiet in de lach: “Ik weet nog dat mijn moeder de straat in reed en vertwijfeld vroeg: Carool, waar zijde nou terechtgekomen? Ik zag haar denken: wat heb ik gedaan dat ze hier naartoe wil?” Maar ja, de stad trok onmiskenbaar aan haar. “Het is een heel pure stad. Jules Deelder schreef niet voor niets: Rotterdam is veels te ècht. Ik voel me daarbij thuis. Het leven komt in al zijn aspecten voorbij in de stad. Zeker in de tijd dat ik hier kwam wonen, was dat soms echt héél rauw. Dat hoef ik niet te romantiseren; wie de stad kent, kent ook deze gure tijd. Maar tegelijk staat die tijd ook voor wat de inwoners van deze stad kenmerkt: ze willen er met elkaar iets van maken en gaan geen obstakel uit de weg om dat voor elkaar te krijgen.” Daarvan zijn de afgelopen decennia een voorbeeld, wil onze eerste burger maar zeggen. De stad is veranderd en gegroeid, er ligt nu een totaal ander Rotterdam aan de Maas dan toen zij in 1995 deze stad betrad.
Allebei de benen op de grond
De stad ging in haar lijf en leden zitten. Of wellicht andersom, koos ze impliciet voor de stad die haar past als een mantelpak. “Ik vind de mentaliteit in Rotterdam gewoon fijn, het idee dat je handelt vanuit de vraag of je iets kunt bijdragen. Ook de gedachte dat je nooit meer bent dan iemand anders, vind ik waardevol. Dat moet je hier ook niet vinden; ze zetten je dan heel gauw weer met allebei je benen op de grond.”
Die houding heeft haar ook geholpen in de politieke carrière die ze na haar studie oppakte. “Laat ik zo zeggen: het hebben van een heel groot ego kan je meer in de weg zitten dan de nuchtere blik dat je iets kunt bijdragen aan het grotere geheel. Of dat nou in de landelijke politiek is of op het niveau van de stad, je zit er om de boel vooruit te helpen. Niets meer en niets minder. Je moet niet in de politiek gaan zitten om toegejuicht te worden.”
Dat gevoel een bijdrage te willen leveren aan iets waar je hart ligt, was ook wat haar terug naar haar stad trok. “Op nationaal niveau kun je ook goede dingen doen, maar deze stad komt dicht bij mezelf. Ik woon hier, mijn zoon is hier geboren en opgegroeid, dit is mijn thuis. Hier zie ik de mooie dingen die gebeuren én hoe mensen soms struggelen in het leven. Dat raakt me; daarom heb ik gesolliciteerd op deze functie. Ik wil bijdragen aan deze stad. De stad die strategisch gelegen is en door die ligging een rol speelt op het geopolitieke toneel. En de stad waar op straatniveau de mensen proberen te zorgen dat hun leefomgeving fijn blijft, waar mensen elke week de eindjes aan elkaar knopen. Zij geven de stad en hun buurt een impuls. Voor zichzelf en voor de kinderen die hier opgroeien. Op die niveaus tegelijk moeten schakelen, dat heb je alleen maar hier.”
Ze nipt van haar thee en kijkt naar de twee vlaggen die fier in haar kamer staan, de Rotterdamse en de Nederlandse. Ze kiest haar woorden zorgvuldig voor ze haar punt maakt: “Je bent burgemeester voor iedereen. Natuurlijk heb ik een eigen bril waardoor ik de wereld bezie, maar ik laat mijn politieke voorkeur achter me als ik naar mijn werk ga. Ik sta naast de politieke partijen en ik moet zorgen dat we met al die partijen tezamen komen tot goede besluiten voor deze stad. Uiteindelijk is het aan de raad om te besluiten over alles dat we voor deze stad bedenken. En natuurlijk zit ik hier niet als onbeschreven blad en ik loop niet blind door de stad. Het gaat me aan het hart als ik zie dat mensen het moeilijk hebben, het gaat me aan het hart als ik zie dat onze economische positie achteruit gaat. Tegelijk zie ik dat de stad van onderaf gedragen wordt door haar inwoners.”
Welke rol zij dan voor zichzelf ziet? Daar hoeft ze niet over na te denken: “Ik stel punten aan de orde die mij opvallen. Ik stel zaken aan de orde waarvan ik vind dat we er iets aan moeten doen en waar een verbetering voor de Rotterdammer te halen is. Zo probeer ik zoveel mogelijk mijn nationale en internationale contacten in te zetten voor bijvoorbeeld de haven en veiligheid. Ik ben op veel podia het gezicht van de stad en als ik iets kan doen om de stad op de kaart te zetten, dan zal ik dat niet nalaten.
Tegelijk zie ik dat we te maken hebben met buitenslapers en er zijn weer meer mensen die overlast ervaren van drugsgebruikers in hun buurt. Het is ook mijn taak hier aandacht voor te vragen. Het is niet goed voor de mensen in deze mensonterende situatie én het is niet goed voor mensen die zich in hun veiligheid aangetast voelen.
Zo wissel ik het algemene belang van onze stad en het individuele belang van haar inwoners steeds af in mijn werk. Inwoners moeten weten dat ik benaderbaar en bereikbaar ben, dat ze bij mij terecht kunnen. Veiligheid is zo’n dossier dat bij mij als burgemeester ligt. En dat is echt niet alleen overlast. Het begint bij de straatverlichting en de inrichting van de buitenruimte. Het gaat over de vraag of je straatje schoon is. Uiteindelijk gaat het erom dat je op al die onderdelen zorgt dat we het goed voor elkaar hebben in de stad.”
Netwerken creëren
En natuurlijk kun je niet alles doen. De stad besturen is nou eenmaal ook keuzes maken: wat kun je doen met de middelen die je hebt? Maar dat is juist de kracht van deze stad. “Er zijn zoveel mensen die de handschoen oppakken en iets voor de stad willen betekenen. Ik ben ze de stadsverwarmers gaan noemen. Al die mensen met prachtige initiatieven die het cement van deze stad vormen. Vaak weten ze van elkaar niet eens dat ze iets moois doen. Daarom moeten we vanuit de gemeente ook ruimte geven aan deze mensen en voor hen netwerken creëren waarin ze elkaar kunnen vinden en helpen.
Als wij samen met hen de handen ineenslaan, dan kunnen we elkaar versterken en gezamenlijk de schouders eronder zetten. Dan kunnen we nog verder komen als stad. Wij zijn meer dan individuen die naast elkaar leven. Heel veel mensen zetten zich daarvoor in, net als wij op het stadhuis. Versterk elkaar; wij hebben de stad nodig en de stad heeft ons nodig.
En geloof me, het heeft geen enkele zin om van bovenaf op te leggen wat er moet gebeuren. Er is geen Rotterdammer die dan zegt: ‘Oh ja, tuurlijk, we pakken het op.’ Die zeggen: ‘Oh joh, waarom dan?’ De stad wordt door de inwoners gebouwd en geleefd en vanuit het stadhuis kunnen wij hun inspanningen een duw in de rug geven om de stad te verbeteren.”
Het huis van de stad
Die netwerken waarover Carola spreekt, worden ingezet en aangesproken bij de gemeenteraads-, wijk- en dorpsraadverkiezingen: je kunt iets doen voor jouw stad, jouw wijk, jouw buurt, jouw straat. Door te gaan stemmen. “Dat is ook wat ik probeer te vertellen: inwoners hebben het meeste aan een stadhuis dat de zaken aanpakt die zij signaleren. En nee, dat gaat helaas niet altijd met een druk op de knop. Was het maar zo. Wat we in ieder geval kunnen doen, is laten zien dat we inwoners horen, hen serieus nemen en dat we oppakken wat in ons vermogen ligt om op te pakken.” En daar zijn de wijk- en dorpsraden heel belangrijk in. Die zijn laagdrempelig en ze zijn heel toegankelijk omdat daar je buurtgenoten in zitten.
En natuurlijk voelt ook de burgemeester dat de opkomstcijfers steeds minder florissant zijn. “Ik hoop dat de stad ziet dat de beslissingen die we nemen de inwoners rechtstreeks aangaan. En dat je dus wel degelijk invloed hebt. Jouw keuze in het stemhok telt. Je kiest wie er op het stadhuis zitten om je belangen te vertegenwoordigen. En dat stadhuis is ook echt het huis van de stad: dat is een plek die in dienst staat van de stad. Ik geloof ook wel dat steeds meer mensen er zo naar kijken. Neem alleen al de wijk- en dorpsraden, daarvoor hebben ruim negenhonderd stadgenoten zich verkiesbaar gesteld. Dat zijn meer dan negenhonderd mensen die bij zichzelf gedacht hebben: wij kunnen helpen een verschil te maken. Voor mezelf, voor mijn buurtgenoten, voor de stad. Ik vind het een heel krachtig signaal dat al die mensen energie willen steken in Rotterdam. Omdat die stad hen zo nauw aan het hart gaat. Ik wil hen van harte steunen en helpen hun betrokkenheid te kanaliseren tot iets goeds voor al die wijken en buurten. Ondanks de lage opkomsten de laatste jaren, zie ik wél heel veel betrokkenheid. Dat vind ik bemoedigend, want het zijn allemaal mensen die willen dat het goed gaat in hun buurt en die zich daarvoor willen inspannen.”
Directe invloed
Van haar keuze voor de stad, en dus de gemeentelijke politiek in plaats van de landelijke politiek, heeft Carola geen moment spijt gehad. Begrijp haar niet verkeerd, ze vindt het allebei mooi. “Maar landelijk gaat het vooral over wetten en regels, dat is toch vrij abstract. Op lokaal niveau heeft elke beslissing direct invloed op de levens van mensen. Wat ik een voorrecht vind, is dat mensen mij dichtbij laten komen. Op de mooie én de pijnlijke, verdrietige momenten in het leven. Soms is het enige dat je kunt doen een arm om een schouder. Maar ook dat is goed. Die nabijheid raakt me enorm en dat maakt de rol die ik nu heb heel veel mooier dan toen ik nog in de landelijke politiek werkte. Het is veel directer en dat merk ik vaak. Als ik bij de bakker sta of in de rij sta om oliebollen te kopen bij Richard Visser, word ik echt wel aangesproken en op die momenten hoor ik waar mensen mee zitten. En als wij als stad iets kunnen betekenen, is dat toch prachtig?”
Voor Carola schuilt hierin ook het belang van de lokale verkiezingen: “Laat zien waar je tegen aanloopt in je eigen omgeving en wat je wilt bereiken voor die omgeving. Natuurlijk moeten er altijd afwegingen gemaakt worden, want niet alles kan. Met jouw stem stel je de mensen aan die besluiten nemen. Ook voor jou, dus doet elke stem ertoe, want je hebt nog altijd een meerderheid aan stemmen nodig om tot iets te komen.
Koester vooral ook het voorrecht dat je mág en kúnt stemmen. Dat is bepaald niet overal in de wereld vanzelfsprekend. En ook in Rotterdam weten wij wat het is om die vrijheid niet te hebben. Ik ga er niet sentimenteel over doen, maar we zijn wel schatplichtig aan onze ouders en grootouders. Het is aan hen te danken dat wij dit voorrecht hebben. Zij hebben gestreden voor onze vrijheid; wij zijn het aan hen verplicht om dat te koesteren.”
Ze neemt de laatste slok van haar inmiddels koud geworden thee en glimlacht innemend. Alsof ze wat verlegen wordt van de constatering dat haar liefde voor de stad doordringt in alles wat ze zegt. “Dit is de stad waarvoor ik werk, en de rol van burgemeester is er eentje die je altijd draagt. Maar het is ook de stad waar ik woon en ontspan met familie en vrienden. Ik heb die tijd ook nodig, omdat zij me goed bij de grond houden. Het is ook gewoon fijn om met hen in de kroeg te zitten – in West weten ze wel in welke kroeg dat is – of om even alleen door de stad te fietsen. Van het Eiland van Brienenoord tot historisch Delfshaven; er zijn zoveel mooie plekken. Als ik op de Maasboulevard fiets en de zon gaat goudgeel onder in de Maas, dan geniet ik intens van Rotterdam.”
Ze kijkt even op en frummelt aan de paperclip in haar hand. “Als ik bij mijn moeder ben, word ik na een paar uur onrustig van de stilte. Dat weet mijn moeder ook.” Ze schiet in de lach en eindigt stralend: “Ze weet dat het goedgekomen is met Carool.”