De precieze datum weet ik niet meer, maar het moet halverwege de jaren 60 zijn geweest, toen mijn vader mij voor het eerst meenam naar het stembureau bij ons om de hoek in de Zuidpolderstraat op Zuid. Hoewel ik bij de deur moest wachten, want het stembureau was niets voor kinderen, vond ik het machtig interessant. Wat ‘stemmen’ precies inhield, begreep ik niet, maar het was reuzespannend, geheimzinnig en gewichtig. Mijn ouders stemden toen trouw op de KVP, zoals de meeste anderen uit de Rooms-Katholieke zuil destijds. Er is sindsdien veel veranderd. Mijn vader leeft niet meer, de KVP is eveneens dood en de vanzelfsprekendheid om naar het stembureau te gaan is helaas ook verdwenen.
Bij de vorige gemeenteraadsverkiezingen, die van 2022, was de opkomst in Rotterdam nog geen 39 procent, flink lager dan die in de rest van het land. Sterker, de verkiezingsdeelname was het laagst van alle gemeenten, iets dat overigens ook het geval was bij de Kamerverkiezingen van oktober vorig jaar. Let wel: dit zijn geen incidenten. Al sinds het begin van de jaren 80 – zeg maar toen de economie van de Rijnmond in het slop was geraakt met hoge werkloosheid tot gevolg – tekent zich een gestage daling van de opkomstcijfers af.
De Rotterdammert lijkt er geen zin meer in te hebben, voelt zich minder vertegenwoordigd en blijft op verkiezingsdagen liever thuis. We weten al lang dat mensen met een praktische opleiding en lager inkomen meer moeite hebben om aan te haken bij de politiek, en daarvan zijn er in Rotterdam heel erg veel. Terwijl de legitimiteit van de volksvertegenwoordiging steeds meer onder druk komt te staan, lijken allerhande sociale problemen onaangeroerd. (Let op het woord lijken).
Vlak na de eeuwwisseling probeerden spraak-makers zoals querulant Pim Fortuyn, burgemeester Ivo Opstelten en de Charloise deelraadsvoorzitter Dominic Schrijer de harten van Rotterdammers te winnen met stoere taal over leefbaarheid, verpaupering en islamitische stadsgenoten. De ellende zou ‘over de schoenen lopen’, zo hielden deze geprivilegieerde stadsgenoten ons voor. Of het verstandig was om zulke overdrachtelijke woorden te gebruiken, is de vraag; een selffulfilling prophecy ligt snel op de loer.
Het gebrekkige vertrouwen in de publieke zaak was in 2002 een van de belangrijkste redenen om met een nieuwe politieke partij aan de verkiezingen deel te nemen: Leefbaar Rotterdam. Met Leefbaar zou het allemaal goedkomen. Die wist immers wat er speelde, luisterde naar het geweeklaag van de echte Rotterdammert en sprak niet met meel in de mond. De boodschap, aangejaagd door op hol geslagen journalisten, sloeg aan en Leefbaar Rotterdam werd in een klap de grootste partij. Welaan, trad hier een politieke beweging aan die eindelijk de harten van de mensen liet kloppen?
De opkomstcijfers van de raadsverkiezingen van 2002 en ook die van 2006 lieten inderdaad een lichte opleving zien, maar daarna zette de neergang zich genadeloos voort. Sterker, de opkomstcijfers zijn inmiddels veel lager dan toen Leefbaar aan de macht kwam, zelfs lager dan toen de PvdA de gemeenteraad domineerde. Dat is wel heel bizar! Wat zou dat zeggen over het vertrouwen in de gemeentelijke politiek in het algemeen en in dat van lokale praatjesmakers in het bijzonder?