Tewerkgesteld in Duitsland

Verhalen uit de Tweede Wereldoorlog – deel 3

Meer nog dan het bombardement van 14 mei 1940 staat het vergeten bombardement op Rotterdam-West op 31 maart 1943 hem bij. Dat was bijna bij Wim Missel (89) in de voortuin. Een jaar later wordt hij weggevoerd tijdens de razzia van Rotterdam. Na een mensonterende reis via concentratiekamp Dachau, komt hij terecht in München. Hij verricht er dwangarbeid met Poolse krijgsgevangenen tot de Amerikanen hem bevrijden. Het tekent de rest van zijn leven.

Het bombardement van mei 1940 zag hij vanuit zijn ouderlijk huis aan de Mathenesserdijk. Geboren in juli 1926, was hij 13 toen de Duitsers binnenvielen. “De begon voor mij met lawaai van vliegtuigen die uit de richting van Delft kwamen. We zagen parachutisten en er werd door het huis van de buren heen geschoten.” Het bombardement treft de omgeving van hun huis niet, maar vanaf het dak kan het gezin Missel de brand zien. “Een foto van deze brand is bij ons vandaan genomen”, vertelt meneer Missel terwijl hij een folder tevoorschijn haalt. Een beroemde foto met op de voorgrond het Mathenesserplein en daarachter een hemel vol ondoordringbare zwartgrijze rook. Rechts op de voorgrond de reling van de balustrade rond hun dak.

“Enkele dagen later werd ik erop uitgestuurd om in Kralingen te kijken hoe het met mijn oom en tante ging.” Hij trekt door de gigantische puinhopen van de verwoeste stad. “Niet overal was al geruimd, dus er lagen nog verbrande mensen onder het puin. De lucht vergeet ik nooit meer. Ik kan haar niet goed omschrijven, maar toen ik in Duitsland dwangarbeid deed, heb ik ze nog vaak geroken. En ik herken het onmiddellijk als ik het weer ruik.”

“Gekke details blijven je bij”, vertelt meneer Missel als hij opkijkt uit een boek – hij leest sowieso veel over de oorlog die zijn leven tekende. “Zo hoorde ik het verhaal van twee meisjes van de Jaminwinkel in het centrum. Die zijn een week na het bombardement levend onder het puin gevonden. Zij hadden overleefd op de koekjes uit de winkel. Of het waar is weet ik niet hoor, maar de gedachte vind ik wel mooi.”

‘De bovenleidingen van de trams kronkelden over straat, omdat er nog stroom op stond.’

Vergeten bombardement

Meer dan het bombardement van 1940, had het gezin Missel te lijden onder de Engelse aanvallen op de Merwevierhavens achter Marconiplein. “De Engelsen bombardeerden voortdurend en dat was bijna altijd nachtwerk.” Ter verdediging plaatste de Duitse bezetter afweergeschut op het binnenterrein van het blok waar de Missels woonden. “Wij deden geen oog dicht. Op een gegeven moment gingen we bij familie in Overschie of Hillegersberg slapen. Vanuit zo’n slaaphuis gingen we naar school en dan tussen de middag naar ons eigen huis en dan in de avond weer naar het slaaphuis. Dat was nogal een toestand.”

De apotheose van deze bombardementen vindt plaats op 31 maart 1943 als om 13:20 de Engelse bommenwerpers overvliegen en hun lading te vroeg lozen. De bommen vallen op de woonwijk ten oosten van Marconiplein. Meneer Missel zit thuis aan een boterham. “Het duurde tien minuten maar het was zo hevig, in onze benedenmuur zat een scheur waar je zo je vuist doorheen kon steken. Maar gek genoeg was er geen raam kapot.” Als de bommenregen stopt, trekt meneer Missel de straten in. “Het was totale chaos en de wildste geruchten deden de ronde. Dat er NSB’ers aan het plunderen waren en dat de Duitsers ze tegen de muur zetten en fusilleerden. Nou, dat is dan tenminste nog mooi opgeruimd, dachten wij.”

“De bovenleidingen van de trams kronkelden over straat, omdat er nog stroom op stond.” Hij gaat naar een huis van vrienden: “Dat huis was ongeschonden maar zij waren er niet. Enkele uren later is het huis alsnog verwoest door de brand die volgde op het bombardement; er was veel te weinig water om te blussen.”

Razzia

In oktober 1944 vindt meneer Missel een briefje in de bus: dat hij zich moet melden voor arbeid. “Mijn moeder maakte direct een fietstas in orde met kleding en eten voor onderweg. Ze zag geen gevaar; in de folder leek het dat we gewoon ergens in het land gingen werken. Huis voor huis werden mannen naar buiten gehaald. Ik heb met een aantal buurjongens nog even het idee gehad om de Schie over te zwemmen: aan de andere kant zagen we namelijk iedereen op straat alsof er niets aan de hand was. Later begreep ik wel dat ook de mannen aan die kant afgevoerd zijn. Ik had mijn zwempak al aan toen er een Duitse militair binnenkwam om me mee te nemen.”

Hij trekt snel een broek en een hemd over zijn zwempak aan en wordt in de richting van Marconiplein geduwd. Met zo’n 1200 andere mannen uit de wijk wordt hij samengedreven in een loods, waarna ze in colonne richting Delft marcheren. “Het ging gepaard met veel geschreeuw van de Duitse bewakers. Toen kregen we wel het besef dat we niet zomaar ergens slootjes gingen graven.”

‘Toen kregen we wel het besef dat we niet zomaar ergens slootjes gingen graven.’

Op station Delft wordt de hele groep veewagons ingedreven; 78 man per wagon zonder eten, drinken of sanitair. “We stonden schouder aan schouder. Buiten ging de grendel erop, waarna de trein onder bewaking richting Duitsland ging.”

De situatie in de trein is erbarmelijk. “De reis duurde 10 dagen. Met een zakmes wrikte iemand een gat in de vloer zodat we niet in de wagon onze behoefte hoefden te doen. Maar het werd ondraaglijk om al die tijd te staan. We vonden een systeem dat de ene helft kon zitten – op en over elkaar heen – als de andere helft nog dichter tegen elkaar aankroop. Door dit af te wisselen, kregen we toch iets van rust.”

Vanaf Hannover buigt de trein af naar het zuiden. “In München werden we tijdens een bombardement van de Amerikanen de wagons uitgejaagd en greppels ingestuurd. Het verhaal gaat dat 200 van onze mensen bij dat bombardement getroffen zijn. Wij gingen in een andere trein naar het concentratiekamp Dachau, waar we ondergebracht werden in het kampement van de SS.”

Hoewel ze gescheiden blijven van andere kampbewoners, zitten ze onder dezelfde omstandigheden opgeborgen in houten barakken. “Als tijdverdrijf kregen we grote kisten met verroest gereedschap dat we moesten schuren en invetten met boter.”

Na enkele dagen wordt meneer Missel overgeplaatst naar een bouwbedrijf in München. Op kantoor, al zien ze daar snel dat hij geen ervaring heeft. Ze plaatsen hem over naar een groep krijgsgevangenen. “We moesten na bombardementen op de stad herbruikbaar materiaal uit het puin halen. Houten balken en golfplaten en zo. Ik kwam bij een Poolse ploeg van 40 man, onder gezag van een gepensioneerde SS’er. En als we tijdens het werk gebombardeerd werden, vluchtten we het riool in met een kaarsje en wat planken om niet nat te worden. Gewone dingen als je kleren wassen, kon niet meer. Er was maar mondjesmaat water, dus je gebruikte dat om te drinken.”

‘Als we tijdens het werk gebombardeerd werden, vluchtten we het riool in met een kaarsje en wat planken om niet nat te worden.’

Bevrijding

Het leven is hard, er is niets anders dan kool, aardappelsoep en sporadisch een stuk brood. Als jonge vent in de kracht van zijn leven, tast dit eenzijdige eten zijn darmen aan. Van het zware werk zelf gaan zijn handen kapot en hij heeft zwerende wonden aan zijn benen. Nog altijd heeft hij fysieke klachten die hier hun oorsprong vinden.

De gebroeders Best, eigenaars van het bouwbedrijf, blijven volhouden dat de Duitsers zullen winnen, zelfs als de dwangarbeiders in de verte gerommel horen dat erop wijst dat de geallieerden in de buurt zijn. Het geschut kwam steeds dichterbij en toen veranderde er iets: “Het eten werd ineens veel beter. Kregen we plotseling appelmoes terwijl het geen appeltijd was. Ik denk dat ze aldoor voorraden gehad hebben, maar nu beter voor ons gingen zorgen. In de hoop dat we na de oorlog zouden willen blijven of zo.”

Plotseling is er geen bewaking meer: “We hoefden niet meer te werken en we konden van het terrein af. In de straten zagen we overal witte lakens in de vensterbanken hangen. En toen kwam er op 29 april een Amerikaanse jeep aanstuiven met één soldaat erin. Hij stopt voor een café en stapt uit. Hij loopt naar binnen en komt even later weer naar buiten met een doos vol revolvers, en scheert weer weg. We stonden stomverbaasd te kijken.”

De volgende dag volgt de werkelijke bevrijding met tanks en vrachtwagens die München binnenrijden, maar voor Wim Missel is die eerste ontmoeting de echte bevrijding. “Ik geloofde het haast niet en was ontzettend blij tegelijk.” Het duurt vervolgens nog tot juni voor de geallieerden hem repatriëren: “Stel je voor, miljoenen mensen die naar huis willen. Het duurt wel even voor je dat georganiseerd hebt.”

Terug naar huis

“We gingen terug in etappes. Onderweg hebben de Amerikanen ons goed verzorgd: drie keer per dag eten en een wond aan mijn been werd dagelijks verzorgd. We kwamen terecht in Eindhoven. Niemand vroeg iets of registreerde iets.” Als hij geruchten hoort van een schip dat richting Rotterdam vaart, gaat hij op onderzoek uit en vindt inderdaad de boot. Hij stapt op en keert zo terug naar de stad. En met de tram komt hij vervolgens weer thuis. “Van Eindhoven tot huis. Niemand hield me aan, niemand vroeg iets. Het was zo vreemd. Alleen die tramconducteur zag dat ik van ver kwam, want ik had een korte broek aan. Ik hoefde niet te betalen van hem.”

Eenmaal thuis gaat het leven weer van start. Hij wordt aangemerkt als buitengewoon dienstplichtige, waardoor hij niet in dienst hoeft. Gepraat werd er verder niet en zelf begint hij niet over zijn oorlogstijd: “We keken liever vooruit dan achterom, zo is de Rotterdamse mentaliteit.” Gelukkig is hier verandering in gekomen; inmiddels kan hij zijn verhaal kwijt. Het doet hem goed: zijn verhaal maakt onlosmakelijk deel uit van de onuitwisbare geschiedenis van de stad. Een geschiedenis die we volgens hem moeten blijven vertellen.

Op 4 en 5 mei vindt in Rotterdam het programma ‘Open Joodse huizen / huizen van de razzia’ plaats. Op 5 mei vanaf 14:00u vertelt Wim Missel zelf zijn verhaal in Stroop aan de Mathenesserweg 21B, op een steenworp afstand van zijn ouderlijk huis. Zie voor details ook de website van open huizen.

(historisch beeld: De stad staat in brand, foto genomen vanaf het dak van het woonhuis van de familie Missel)