‘Ik heb mezelf nooit zielig gevonden’

Interview met Theo Wesselo

Theo Wesselo (51) is een onnavolgbare rebel en wars van concessies. Hij werd bekend met het kinderprogramma Rembo & Rembo, maar verdween daarna lang van de radar. Drank, drugs, dakloos. Tot hij in 2008 als zanger van de band Hausmagger weer tevoorschijn kwam. Nu geeft hij in Gers! een interview dat alle kanten uitschiet. “Het is een verschrikking om altijd alleen maar in de maatschappij te reilen en zeilen.”

De drie onderste knoopjes van zijn geruite overhemd zijn dicht, de vijf daarboven niet. Om die reden kijkt de ober van Belgisch Biercafé Boudewijn aan de Nieuwe Binnenweg even vlug naar de vol getatoeëerde torso van Theo, die ondertussen een Duveltje bestelt. “Zonder glas a.u.b.’’ Theo plaatst meteen maar een vraagteken bij het nut van een interview. “Kijk, jij kunt hier met mij afspreken en mij gratis fileren. Ik kan alles vertellen wat jij wil weten, maar dan heb je het over allemaal persoonlijke dingen. Maar ik geef niet alles weg, weet je wel?” Theo laat een boer en vult aan. “Bij een interview is het toch een beetje alsof ik steeds antwoord moet geven op een vraag, terwijl ik het meestal ben die de vragen stelt. En over mijn liedjes en gedichten is alles inmiddels wel behandeld, joh.”

Hij is overigens in een goed humeur, Theo. Onlangs kwam zijn dichtbundel Tekst & Uitleg uit. Vaak draagt hij die ‘gedichies’ voor tijdens concerten van zijn band Hausmagger. Maar hier, op het terras, ter plekke een gedicht voor Gers! schrijven, dat zit er niet in. “Kan ik helemaal niet. Kijk, ik heb heel korte mouwen, dus misschien lijkt het net alsof ik ze er zo uitschud. Maar ik lees niet iets voor wat ik niet oké vind. Het zou echt een wonder zijn als ik dat nu ineens... Ik verzin ze tussen mijn gedachten door. Als ik zit te schijten, of zo. Dan denk ik: hé, klik, klik!”

‘Ik verzin die gedichies tussen mijn gedachten door. Als ik zit te schijten, ofzo. Dan denk ik: hé, klik, klik!’

Beetje onzekerheid

Het zijn ook niet echt gedichten, stelt Theo. “Ik heb best wel gevoelige liefdesgedichten geschreven, maar die heeft nog nooit iemand gehoord. Als ik dat ga lopen verkondigen... De spanningsboog van mensen tijdens een optreden is ongeveer drie seconden. Het moet kort en krachtig. Misschien is het ook een beetje onzekerheid dat ik geen gedichten van drie pagina’s ga voordragen.”

“Kijk! Daar gaat dit gedicht over!” Hij haalt snel een verfrommeld blocnote uit het vakje van zijn overhemd en begint druk te bladeren. Hij gaat rechtop zitten en zegt: “Deze heeft nog nooit iemand gehoord en ik vind hem eigenlijk wel heel goed. Het heet Zeker.”

Zeker

Wanneer je je onzeker voelt,
denk dan voor de grap
eens aan de toekomst
die is nog veel onzekerder dan jij

Hij klapt het blocnootje dicht, rolt met zijn ogen, mompelt en vertelt dan: “Zoveel onzekerheid... Vaak vind ik iets wat ik heb geschreven goed, maar dan denk ik: is het wel goed? Of is het gewoon heel dom? Of ben ik dom dat ik het goed vind? Weet je wel. Soms heb ik een woordgrappie verzonnen en dan denk ik van: Jezus Christus! Dit heeft vast iedereen al bedacht in heel zijn kloteleven. En dan blijkt toch dat eigenlijk niemand het op die manier kent. Dan wordt het dingetje toch wel weer iets sterker in je hoofd.

En trouwens, ik ben helemaal niet onzeker. Alles komt goed zolang je maar weet wat je met d en dt schrijft. Tegenwoordig vind ik dat wel heel belangrijk... Ik vind het gewoon heel sexy als een meisje foutloos schrijft. Ik wil geen mierenneuker zijn, maar ik vind het tof als iemand daar gewoon controle over heeft.”

Theo, hij springt in rap tempo van een serieuze opmerking naar een kwinkslag, van een stevige mening naar een woordgrap. Oog voor de omgeving heeft hij. Voor de voorbijrijdende motormuis in het zwarte leren jack met harde reggaemuziek uit zijn boxen. “Dat zou ik dus niet durven.” Het tweede Duveltje (“zonder glas, a.u.b.”) wordt op de houten tafel gezet. “Zo, lekker koud”, zegt hij met een knipoog tegen de vlotte dame.

Rembo

Hij lijkt in alles nog op de Rembo uit het kinderprogramma op Villa Achterwerk, waarmee hij samen met Maxim Hartman tegen de heilige huisjes in Hilversum aan schopte. Ze stopten er in 1995 na negen jaar pionieren mee. Theo wilde geen concessies doen aan de inhoud. En nu maakt hij dus muziek en schrijft hij gedichten, en heeft hij een doorleefde kop. Daarover later meer.

Een gesprek met Theo levert fijne dialogen op.
“Theo, schreef jij vroeger ook al?”
“Ja.”
“Wanneer is dat begonnen?”
“Vroeger?”

Zijn teksten zijn puntig, hard, eerlijk, scherp, direct. Rotterdams. Maar al te serieus moet je zijn muziek niet nemen, vindt Theo. “Het is een beetje een gewoonte geworden om muziek te maken, terwijl ik dat natuurlijk helemaal niet kan. Ik heb geen idee. Daarom zijn mijn liedjes ook zo simpel.” Hij laat nog maar eens een boer. “Ik neem het niet serieus. Anders vind ik er geen reet aan. Ik werk gewoon niet hard.”

“Hé, maar… Theo. Nu hebben we het alsnog over jouw liedjes en gedichten. Daar was inmiddels alles toch wel over behandeld?”
“Ja, maar dat is niet erg. Ik zeg de dingen nu net even iets anders. De punten en komma’s staan net op andere plaatsen. Interpunctie, héél belangrijk. Hé, waar hadden we het ook alweer over?”
“O, dat je niet hard werkt.”
“Ik ben zo lui als een varken. Nee! Nog luier! Ik ben nog veel luier dan een varken, man.”
“Geef eens een voorbeeld.”
“Hoe lui een varken is?”
“Hoe lui jij bent.”
“Nou, dat ik niets doe.”

Twee platen staan er nu op zijn naam. Dicht & Sloopwerk en Het Onderste Uit De Man. Hij heeft naar eigen zeggen ook nog een heleboel kant-en-klare platen in de kast liggen, maar die blijven daar vermoedelijk voorlopig liggen. Theo kijkt wel uit om zijn frontmanschap in de band als een beroep te gaan zien. Het moet niet te ernstig of ingewikkeld worden, daar is hij allergisch voor.

Schijtgoeie nummers

De vlagen dat Theo zichzelf aanspoort iets te doen, zijn zeer zeldzaam. “Ik word pas een beetje wakker wanneer het slecht gaat”, vertelt hij. “Of ik wil me ineens heel even bewijzen. Diep in mijn hart weet ik gewoon dat ik in mijn genre schijtgoeie nummers maak, waar niemand aan kan tippen. Ik vind het een heel goede gozer, hoor, die van De Dijk. Niets mis mee. Maar daar draai ik dus mijn hand niet voor om. Dat wil ik dan even laten zien of horen. Ik weet niet van wie ik dat heb. Ik denk van mijn moeder. Een soort oedipuscomplex, haha!”

‘Ik vind het gewoon heel sexy als een meisje foutloos schrijft’

“Het blijkt dus”, vervolgt Theo, “dat mensen het nog steeds niet zo netjes vinden als ik een scheet laat. Dat slaat nergens op, maar daarom zal Hausmagger ook nooit een heel populaire band worden. Hoeft ook niet. Het is een beetje simpel allemaal en zo wil ik het graag houden. Die mensen van BLØF doen altijd maar hetzelfde kunstje en kunnen gelukkig zijn met een knieval naar het publiek. Ik wil daar niet denigrerend over doen, maar zelf zou ik dat nooit kunnen. Als ik bij De Wereld Draait Door aan tafel zit bij Matthijs van Nieuwkerk, weiger ik in zijn tempo mee te gaan. Zo snel antwoord moeten geven... dat is toch zo bezopen? Ik houd het soms ook af, dat geef ik toe. Ik wil het denk ik niet te druk hebben. Waarom zou ik? Ik vind drie optredens in het weekend gewoon veel te veel. Twee in een maand vind ik wel oké. Ik hoef er toch geen fuck mee te verdienen.”

Clash

Met Rembo & Rembo had hij dat wel een tijdje, een vurige ambitie. Maar toen de VPRO zich meer en meer met de inhoud ging bemoeien, leidde dat onherroepelijk het einde van het programma in. “Iedereen die maar loopt te lullen en te zeiken ... Televisie maken is leuk zoals wij het destijds gedaan hebben. Het was heel vrij, we hadden veel tijd en ruimte en geld. Dat werd steeds minder. Mensen wilden zich er te veel mee bemoeien. Daarom werd het benauwder. We hadden nog wel jaren door kunnen gaan en beter kunnen worden dan wie dan ook, maar dan hoeft het voor mij niet meer. Ik heb toen een goede clash met de VPRO gehad.”

Partner in crime Maxim Hartman bleef daarna eigenzinnige cultprogramma’s maken. “Ik ben denk ik minder geduldig. Maxim loopt er ook elke keer weer tegenaan, maar gaat er beter mee om.” Theo verdween uit het zicht. Zijn blik, zijn manier van praten, zijn karakteristieke kop en zijn lichaam verraden een deel van het verhaal. Theo leefde op en over de grens. Drank en drugs. Dag en nacht. Vaak en veel. Hij raakte door geldproblemen zijn huis kwijt, zwierf van vriend naar vriend, en kraakte een pand. “Man, ik heb hier in Rotterdam overal gewoond. Op de Schiebroekselaan en uhm ... ik kan het me niet eens meer herinneren, joh.”

Eén misverstand

In een godvergeten kliniek in Schotland kickte hij een keer een aantal weken af van de drank. Eén misverstand wil Theo hardhandig de grond in boren. In die tijd dacht hij niet met weemoed terug aan de tijd dat hij met Maxim de televisiewereld bestormde. “NEE MAN! HOU EFFE OP! Als je het hebt over dakloosheid, of wanneer iemand in een kliniek zit, dan is het niet zo dat die personen die daar zitten, triest zijn. Ik vergelijk het met een stier die gaat vechten tegen een matador met zo’n rode lap. ‘Awhhh, wat zielig voor die stier’, zeggen de mensen dan, maar die stier denkt helemaal niet dat die zielig is. Die wil gewoon op die rode lap af.

“Er zijn gasten in een kliniek die hebben self-pity. Dat zijn zielenpoten, aanstellers. Maar je kunt er ook op een andere manier terechtkomen. Dat je daar gewoon bent en het gewoon een periode is in een leven. Ik ben daar lachend ingegaan en lachend uitgegaan. Ik heb mezelf nooit zielig gevonden. Totaal niet zelfs. En over dakloosheid... Waar kun je aan dood gaan? Niks! Desnoods vrat ik mijn pakkie sigaretten op. Nee, het is alleen de maatschappij die met een belerend vingertje wijst: hij doet dit of hij zit daar. Dat is wel heel erg zielig voor hem. Nou, daar heb ik gewoon pure schijt aan. Want het is altijd oké geweest.”

Theo veert op en blijft vertellen. “Ik ben blij dat ik dit hier kan zeggen: iedereen zou dakloos moeten worden. Het is een verschrikking om al-tijd alleen maar in de maatschappij te reilen en zeilen. Elke dag dat je thuiskomt, ligt er een brief in de bus en dat is er dan één van de Belastingdienst. In de periode dat je op verschillende plekkies schuilt, is dat gewoon even weg. Want je bent onder de radar, je bent nergens. Juist daar verlang ik soms wel naar terug. Ik vind het verschrikkelijk al die huursubsidies en al het gezeik dat daarbij hoort. Dat raad ik niemand aan.

Kijk, wanneer je dingen niet goed regelt, wanneer er iets scheef zit in menselijke verhoudingen, dan kun je - vind ik - goed in de shit zitten. Dat je je grietje of je kinderen vaker wil zien. Maar voor de rest: totaal niet. Fuck it all!”

Zijn twee zoons, Cash en Tattoo, woonden destijds bij hun ‘supergoeie, toffe moeder’. “Die twee liet ik niet in mijn hol komen. Ik sliep vaak in een huis dat niet meer bewoonbaar was. De paar dingen die ik nog had, die had ik daar. En écht, ik was supergelukkig zonder dak en zonder belastingen.”

Illegaal

Autoriteit. Regeltjes. De gevestigde orde. Dwarsdenker Theo zal zich er altijd tegen blijven verzetten. ”Dat heb ik altijd gehad en dat zal ook altijd zo blijven. Als ik iets illegaal kan doen, zonder de maatschappij kwaad te berokkenen, kies ik daar automatisch voor. Ik ben er eigenlijk wel weer voor in om iets groots te kraken. Het oude Radio Rijnmond-gebouw, naast het Westerpaviljoen. Dat raken ze toch niet kwijt. Is een heel goed gebouw voor de cultuur. Kun je muziek en de hele teringzooi opnemen, maar dat staat nu helemaal niks te doen. Dat vind ik zonde.”

Hij krabt aan zijn buik, waar in koeienletters FUCK op is getatoeëerd. De rest van zijn lichaam zit ook vol. “Tegenwoordig doe ik het zelf. Dat zie je, toch? Deze op mijn arm zijn veel minder strak en zien er niet uit. Maar ik word wel steeds beter.”

‘Ik ben zo lui als een varken. Nee! Nog luier! Ik ben nog veel luier dan een varken, man’

We dwalen af. Het gaat over de dagelijkse knokpartijen in het uitgaansleven (“heel vreemd, ik stond er altijd tussen”), het Vroesenpark (“een Middeleeuws aangezicht door de koolmonoxide-dampen in de zomer”), Bennie Wijnstekers (“heel aardige gozer, heeft een keer twintig minuten staan te wachten bij een telefooncel toen ik met een wijffie aan het praten was”), zijn huidige woning (“het is een atelier in een satellietstadje van Rotterdam. De lezers moeten er zelf maar achter zien te komen waar”), vissen (“ik vang nooit iets, want ik doe niets aan mijn haakje”), fotografie (“ik ben geen popster, dus ik wil alleen bestaand licht”) en zijn snode plannen voor een nieuw televisieprogramma (“ik ga het gewoon nog een keer proberen”).

Onbelangrijk belangrijk!

Het interview loopt ten einde, Theo gaat zo ook nog op de foto. Hij vond het uiteindelijk een goed interview, merkt hij op. “Nu hebben we toch best wel wat dingen besproken die behoorlijk onbelangrijk zijn. Onbelangrijke dingen, die vind ik nou belangrijk!”

Als afsluiter wil Theo graag nog een mop vertellen: Een gozer, die een paar jaar in de bak heeft gezeten, komt thuis. Dus die zegt tegen zijn wijf: ga maar liggen op het bed. Dus hij begint haar keihard te pompen. Daarna zegt-ie van: ik ga je effetjes niet meer zien. Zegt dat meisje: ga je nu alweer weg? Nee, ik ga je omdraaien.

“Hij is héél ingewikkeld”, zegt Theo met een grijns op zijn gezicht. “Weet je? Ik leef voor de pijnlijke stiltes.”